De invoering van een universele EU-antihaatwet

De tijdlijn
In 1965 werd door de Verenigde Naties het ICERD-verdrag gesloten, voluit (en vertaald in het Nederlands): het “Internationaal verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie”. Dit verdrag had in eerste instantie betrekking op de dekolonisatie en het zou een bijzonder nuttig  verdrag zijn geweest als het zich had beperkt het opstellen van internationale gedragsregels voor het na-koloniale tijdperk.
xxxxx Het verdrag werd echter veel en veel meer: het werd, kort weergegeven, een morele aanklacht tegen Europa over het kolonialisme en stelde dat dit gekoppeld was aan rassendiscriminatie die voortkwam uit rassenhaat. Hiermee verschoof het streven van dit verdrag van het opstellen van leefregels naar het bestrijden van rassenhaat (het begrip  “ras” werd hierbij zeer breed opgevat: het omvatte ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming).  Het bestrijden van “rassenhaat” echter, dus “haat”, is juridisch gezien heel problematisch. Het Europese strafrecht is van oudsher een “daadstrafrecht”, hetgeen inhoudt dat het alleen foute daden strafbaar wil stellen en geen foute gevoelens. Volgens dit ideaal hoort het bestrijden van haat dus niet thuis in het strafrecht.  De opstellers van het verdrag kwamen, om de kool en de geit te sparen, tot een soort compromis waarbij “aanzetten tot haat” (een daad) strafbaar werd gesteld en het hebben van “haat” (een gevoel) niet.
xxxxx Dit verdrag werd omstreeks 1970 in vele landen in de nationale wetgevingen geïmplementeerd. In Nederland leidde het tot de invoering van artikel 137d  van het wetboek van strafrecht, waarin “aanzetten tot haat” (op grond van ras, godsdienst, of de grondslag van hun levensbeschouwing) strafbaar wordt gesteld. In andere landen werd het verdrag weer anders geïmplementeerd. De Verenigd Staten maakten een voorbehoud wat betreft artikel 4 van het verdrag dat de vrijheid van meningsuiting beperkt.
xxxxx Binnen de EU-landen werd het lijstje gronden waarop men niet mag discrimineren en haten steeds verder uitgebreid. België spant momenteel misschien wel de kroon met een op 22 februari 2024 goedgekeurd wetsartikel waarin maar liefst 21 strafbare gronden van discriminatie worden opgesomd:
…….. zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, fortuin, geloof of levensbeschouwing, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, fysieke of genetische eigenschap, sociale afkomst. 
xxxxx
De situatie op dit moment
Op het ogenblik zijn de wetten over haatzaaien en haatmisdrijven binnen de EU per land verschillend en daarom heeft het EU-parlement het plan opgevat deze met een nieuwe wet gelijk te trekken, “zodat iedereen in Europa dezelfde bescherming heeft tegen haat”. De doorvoering van dit plan wordt echter door “sommige lidstaten” geblokkeerd (dit is mogelijk door de bestaande eis van unanimiteit) en teneinde het wetgevingsproces toch voortgang te doen vinden heeft het EU-parlement op 18 januari 2024 een resolutie aangenomen waarin de Europese Raad wordt opgeroepen de hier geldende “overbruggingsclausule” in werking te stellen, zodat gebruik gemaakt kan worden van een “versterkte gekwalificeerde meerderheid”  (1).
xxxxxHet doel van deze nieuwe wet is niet alleen het gelijktrekken van de wetgeving, maar ook om de momenteel geldende, beperkte lijst van verboden gronden van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven uit te breiden:
Overwegende dat het huidige EU-kader alleen betrekking heeft op haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op grond van ras, kleur, godsdienst, afkomst en nationale of etnische oorsprong; [..] overwegende dat er duidelijk behoefte is aan een doeltreffende aanpak van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op andere gronden, zoals geslacht, seksuele gerichtheid, gender, genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken, leeftijd, handicap en welke andere fundamentele kenmerken ook [..] (1).
Men wil echter meer dan uitbreiding, men wil ook overgaan naar een andere aanpak en een ander soort lijst, een “open lijst” waarbij meer rekening kan worden gehouden met het feit dat “veranderingen in de sociale dynamiek tot nieuwe motieven voor haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven kunnen leiden die moeten worden aangepakt.” Deze bescherming “mag niet louter beperkt worden tot bepaalde gronden of motieven” (1).
xxxxxDat kan niet anders inhouden dan dat de verboden gronden niet meer van te voren nauwkeurig hoeven te worden gespecificeerd. In feite breidt men hiermee de lijst uit naar oneindig: iedere vorm van “haat” wordt strafbaar. Daarmee wordt de lijst eigenlijk ook overbodig. Volgens het persbericht van de rapporteur streeft men naar “een benadering waarbij incidenten worden beoordeeld op basis van hun contextuele omstandigheden” (2).
xxxxx
Kritiek
Het ziet er naar uit dat hiermee het megalomane antihaatproject van het ICERD-verdrag uit 1965 zijn voltooiing begint te naderen: vrijwel alle vormen van haat moeten worden uitgebannen, haat verdwijnt vrijwel geheel uit het palet van de menselijke gevoelens (en gaat daarmee ondergronds). Er blijven echter kennelijk nog twijfelgevallen. Deze worden aangeduid als “incidenten” of “haatincidenten” en zullen worden beoordeeld op basis van hun “contextuele omstandigheden”.  Hiermee zal iedere objectieve maatstaf om te bepalen of een haatuiting strafbaar is of niet komen te vervallen. EU-functionarissen, vooral als ze overtuigd zijn van hun eigen onkreukbaarheid, zullen hiermee een vrijwel onbeperkte macht krijgen.
xxxxx
Noten