De invoering van een universele EU-antihaatwet

Op het ogenblik is de wetgeving over haatzaaien en haatmisdrijven binnen de EU per land verschillend. Daarom heeft het Europese Parlement op 18 januari 2024 een resolutie aangenomen waarin de Europese Raad wordt opgeroepen om haast te maken met de besluitvorming over een nieuwe wet over haatzaaiende uitlatingen (hate speech) en haatmisdrijven (hate crimes), “zodat iedereen in Europa dezelfde bescherming heeft tegen haat” (1).
xxxxxHet doel van deze nieuwe wet is niet alleen het gelijktrekken van de wetgeving, maar ook om de momenteel geldende, beperkte lijst van verboden gronden van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven uit te breiden:
Overwegende dat het huidige EU-kader alleen betrekking heeft op haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op grond van ras, kleur, godsdienst, afkomst en nationale of etnische oorsprong; [..] overwegende dat er duidelijk behoefte is aan een doeltreffende aanpak van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op andere gronden, zoals geslacht, seksuele gerichtheid, gender, genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken, leeftijd, handicap en welke andere fundamentele kenmerken ook [..] (1).
Men wil echter meer dan uitbreiding, men wil ook overgaan naar een andere aanpak en een ander soort lijst, een “open lijst” waarbij meer rekening kan worden gehouden met het feit dat “veranderingen in de sociale dynamiek tot nieuwe motieven voor haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven kunnen leiden die moeten worden aangepakt.” Deze bescherming “mag niet louter beperkt worden tot bepaalde gronden of motieven” (1).
xxxxxDat kan niet anders inhouden dan dat de verboden gronden niet meer van te voren nauwkeurig hoeven te worden gespecificeerd. In feite breidt men hiermee de lijst uit naar oneindig: iedere vorm van “haat” wordt strafbaar. Daarmee wordt de lijst eigenlijk ook overbodig. Volgens het persbericht van de rapporteur streeft men naar “een benadering waarbij incidenten worden beoordeeld op basis van hun contextuele omstandigheden” (2).
xxxxxxHet ziet er naar uit dat hiermee het megalomane antihaatproject van het ICERD-verdrag uit 1965 zijn voltooiing begint te benaderen: vrijwel alle vormen van haat moeten worden uitgebannen, haat verdwijnt vrijwel geheel uit het palet van de menselijke gevoelens (en gaat daarmee ondergronds). Er blijven echter kennelijk nog twijfelgevallen. Deze worden aangeduid als “incidenten” of “haatincidenten” en zullen worden beoordeeld op basis van hun “contextuele omstandigheden”. <bedenk hierbij de tendesn haat strafbaar te achten zonder dat de heeft geleid tit een strabare daad> Hiermee zal iedere objectieve maatstaf om te bepalen of een haatuiting strafbaar is of niet komen te vervallen. EU-functionarissen, vooral als ze overtuigd zijn van hun eigen onkreukbaarheid, zullen hiermee een vrijwel onbeperkte macht krijgen.