De weerstand die actiegroepen oproepen

Ons land wordt, zo goed en zo kwaad als dat gaat, democratisch geregeerd via politieke besluitvorming. Daarnaast ontstaan er telkens groepen van burgers die de op deze wijze genomen besluiten gebrekkig of onjuist vinden en zich daarom genoodzaakt voelen hun doelen via andere middelen na te streven, zoals publiciteit, betogingen, ordeverstoring of het gebruik van geweld. Bekende actiegroepen in de laatste halve eeuw waren Provo (1965), Dolle Mina (1970), Landelijke Stroomgroepen Stop Kalkar (1973), de kraakbeweging (ca. 1975), Komitee Kruisraketten Nee (1982) en het (nog bestaande) Wakker Dier (1997). Ook grotere organisaties, zoals de NVSH (1946), het IKV (1966) en Greenpeace (1971) bezaten of bezitten soms kenmerken van actiegroepen.

Een merkwaardige bijzonderheid van dergelijke actiegroepen is dat veel mensen het met hun doelstellingen vaak wel min of meer eens zijn, maar toch een hekel hebben aan hun wijze van optreden. Hierdoor valt de tegenstand die deze groepen ondervinden uiteen in twee delen. Allereerst is er de tegenstand van degenen die hun plannen eenvoudigweg niet goed vinden. Als deze tegenstanders correct handelen brengen ze hun bezwaren naar voren met logische, inhoudelijke argumenten: het feit dat wat voor de één voordelig is vaak onvoordelig is voor de ander, de hoge kosten die de realisering van de plannen met zich mee zullen brengen, de hinder die dat zal opleveren, enzovoort. Over dergelijke argumenten kan op een zakelijke wijze worden gediscussieerd en de argumenten kunnen tegen elkaar worden afgewogen. Bij deze discussie mag men ook wijzen op fouten in de redenering van de andere partij, verkeerde aannames, berekeningen, enzovoort.

Maar er is ook niet-functionele, toegevoegde tegenstand. Deze ontstaat niet uit de doelstellingen van de actiegroep, maar uit de wijze waarop die optreedt. Dan ontstaat er een nieuwe, tweede laag van tegenargumenten en logisch gezien zijn dat meta-argumenten. Deze tegenstand heeft vaak een grote invloed en, om het nu maar eens wiskundig uit te drukken: zodra de inhoudelijke tegenstand plus de niet-functionele tegenstand groter wordt dan de activiteit van de actiegroep kan men zeggen dat het werk van de actiegroep een averechts effect heeft. De actiegroep wil een doel bereiken, maar komt juist verder van dat doel af doordat men zoveel mensen tegen zich in het harnas jaagt.

Er zijn natuurlijk heel veel redenen waardoor het publiek (of een deel daarvan) een hekel kan krijgen aan een actiegroep, maar misschien zijn de volgende het belangrijkst:

  • Als de actiegroep niet eerlijk argumenteert,
  • Als de actiegroep geweld gebruikt,
  • Als de actievoerders er kennelijk veel plezier in hebben om op de barricaden te staan (“beroepsactivisten”),
  • Als de leiders de actiegroep kennelijk gebruiken als vehikel voor de eigen carrière,
  • Als de doelstellingen van de actiegroep (nodeloos) worden verbonden met een politieke ideologie (zodat eventueel succes van de actie geclaimd kan worden als een succes van bijvoorbeeld “links” of van ”rechts”).

Door de werking van allerlei ingewikkelde sociaalpsychologische processen is het achteraf niet gemakkelijk om te bepalen of een actiegroep zijn doel al of niet heeft bereikt. Het is ook mogelijk dat een actiegroep zijn doel heeft bereikt, maar door oneerlijke strijdmethoden en het gebruik van geweld diepe wonden achterlaat en dat het succes ten koste gaat van verruwing van de omgangsvormen en verharding van de maatschappij.

Literatuur:
W. van Noort (1988): Bevlogen bewegingen, Een vergelijking van de antikernenergie-, kraak- en milieubeweging.