Wetgeving als bron van rassenhaat

Hoe ontstaat haat? Een eerste bron is emotionele besmetting. Als een mij vertrouwd persoon iemand of iets haat, krijg ik op grond van een soort empathie de neiging met hem mee te doen, mee te haten.  Hetzelfde geldt als de groep waartoe ik behoor iemand of iets haat, bijvoorbeeld een andere groep. In dit geval wordt de emotionele besmetting nog versterkt door groepsdruk.

Een andere bron is het met haat reageren op een ander. Dus niet min of meer passief meedoen met anderen, maar actief reageren op iemand die zich tot mij richt. Stel iemand doet iets waaruit duidelijk blijkt dat hij mij haat. Dan reageer ik daarop. Hoe en hoe sterk ik reageer hangt af van allerlei omstandigheden en randvoorwaarden. Maar er is alle kans dat ik reageer met een gelijksoortige vorm van haat. Zo ontstaan er ketens van haat. Net zoals er ketens van geweld bestaan, zo bestaan er ketens van haat.

Dergelijke ketens worden ook opgeroepen door beschuldiging van haat. Het gaat hier in eerste instantie niet om iemand die mij haat, maar om iemand die mij beschuldigt van het hebben van haat. Deze beschuldiging is beledigend. Als die beschuldiging terecht is, dus als ik een hatende persoon ben, zal ik waarschijnlijk met haat terugreageren. De zaak wordt er dan niet beter op, want de kans dat ik mij bekeer is bijzonder klein.

Maar de beschuldiging van haat kan ook ten onrechte zijn. Dan is deze beschuldiging nog veel beledigender dan in het vorige geval (denk hierbij ook aan de christelijke moraal, waarbinnen zeer zwaar wordt getild aan haat). Dan is het haast onvermijdelijk dat de beschuldigde deze beschuldiging zal ervaren als een vorm van haat. En het is haast even onvermijdelijk dat de beschuldigde met haat zal terugreageren. Dat betekent dat deze valse beschuldiging haat heeft gecreëerd waar die oorspronkelijk niet was. Weer een nieuwe bijdrage aan de vele ketens van haat in onze samenleving.

Elders op deze website (zie “Oorlogsmechanismen”) is betoogd dat elkaar vijandig en met haat bestrijdende partijen het gevaar lopen psychologisch op elkaar te gaan lijken en zelfs aan elkaar gelijk te worden. Dat is overal in onze huidige samenleving te zien: partijen die elkaar wederzijds van haat beschuldigen en beide gevangen zitten in een soort vicieuze cirkel. De enige oplossing is dan om te proberen zich van dit systeem los te maken, objectief te gaan kijken als een buitenstaander. En de vraag die dan rijst is: draaien de staat en de wet gewoon mee in de cirkel van haat of hebben zij de wijsheid om de oplossing in deze richting te zoeken?

Laten we ons hierbij in de eerste plaats richten op de begrippen rassenhaat en vreemdelingenhaat. Zoals in de voorafgaande paragraaf is betoogd bestaat de wetgeving op dit gebied hoofdzakelijk uit het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (1965) en de daarvan afgeleide artikelen. Dat betekent dat deze wetgeving asymmetrisch is. Hierdoor worden alle blanke burgers eigenlijk automatisch in staat van beschuldiging gesteld en zijn degenen die blanken beschuldigen van rassenhaat juridisch in het voordeel. Zoals betoogd is echter de beschuldiging van haat voor normale mensen zeer beledigend en creëert haat tegen de beschuldiger en diens medestanders. Bovendien is door de asymmetrie in de wetgeving een sfeer ontstaan waarin de bewijslast niet ligt bij de beschuldiger, maar bij de beschuldigde. Maar middelen om zich te verdedigen heeft die vrijwel niet. Wanneer een blanke burger bijvoorbeeld beweert dat hij tegen immigratie is en daarop (bijvoorbeeld door de EU die belang heeft bij immigratie) beschuldigd wordt van racisme is hij vrijwel machteloos. Dat creëert woede en waarschijnlijk ook haat.

We mogen niet nalaten om aan deze overdenkingen enkele samenvattende conclusies te verbinden. Het verdrag tegen rassendiscriminatie uit 1965 is tot stand gekomen in een zeer uitzonderlijke historische situatie en heeft daardoor een asymmetrisch karakter gekregen. Hierdoor zijn dit verdrag plus een aantal van de daaruit voortgekomen wetten niet meer geschikt voor de huidige wereld. Verder wordt in dit verdrag gebruik gemaakt van het begrip haat zonder dat te definiëren. Bovendien is de constructie dat haat niet strafbaar wordt gesteld, maar aanzetten tot haat wel logisch gezien allesbehalve onaanvechtbaar. Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat, hoewel dat in het voorgaande niet ter sprake is gekomen, de wet zeer inconsistent gebruik maakt van de term en het begrip ras.

Dit soort gebrekkige wetten kunnen moeilijk een richtsnoer zijn voor het handelen. Ze zaaien verwarring. Ze noodzaken het OM en de rechters  eigen interpretaties te bedenken  en bieden daarvoor teveel ruimte aan politieke beïnvloeding. Zouden deze wetten niet teruggestuurd kunnen worden naar de tekentafel?