Antifascistisch activisme

Kern van dit artikel: er is een groot verschil tussen de concrete strijd van de geallieerden tegen Hitler-Duitsland en het naoorlogse, activistische antifascisme, dat vooral persoonlijke belangen nastreefde. 

De laatste fase van de concrete strijd tegen het fascisme werd gevormd door het oorlogstribunaal in Neurenberg en de denazificatie van Duitsland en Oostenrijk, met de vier beroemde d’s: democratisering, demilitarisering, denazificatie en dekartellisatie. Hierna was het fascisme, voor zo ver het zich had gemanifesteerd als een concrete politieke en militaire macht, verslagen.

Na de oorlog werd het fascisme steeds abstracter, het werd een machtige, kwade geest in de lucht die moet worden bestreden en collectieve woede opwekt. Janmaat en vele anderen werden op een gegeven moment het symbool van deze kwade geest en de collectieve woede richtte zich op hen (zondebokmechanisme).

Maar in dezelfde tijd begon een andere, abstracte strijd tegen het fascisme. Meteen na de bevrijding verschenen overal mensen die pretendeerden in “het verzet“ te hebben gezeten en de lakens begonnen uit te delen. Er werden organisaties opgericht om uitkeringen en schadevergoedingen te regelen en die kregen grote macht. De vraag waar bijna alles om draaide was wie er “goed” was geweest in de oorlog en wie “fout”. Dat gold voor individuele personen, maar bijvoorbeeld ook voor de kranten. De kranten die waren voortgekomen uit ondergrondse bladen kregen een aureool van onaantastbaarheid. Hetzelfde gold voor uitgevers. Van Oorschot en de Bezige Bij golden als verzetsuitgevers en konden zich permitteren een grote mond te hebben, of liever: hun auteurs konden zich dat permitteren. Veel historici, politici en columnisten wierpen zich op als de waakhonden van de vrijheid en waarschuwden telkens als er ergens iets gebeurde dat hen niet aanstond dat “het fascisme weer zijn kop begon op te steken”. Er was weinig plaats voor nuancering. Wanneer iemand bijvoorbeeld zei: “Hou nu maar eens op over die oorlog”, dan kreeg hij meteen te horen: “O, vind jij het vermoorden van zes miljoen joden niet erg?” Men wedijverden met elkaar wie de verschrikkingen van de oorlog het ergste vond. In deze sfeer werd het fascisme steeds meer iets abstracts, een boze geest in de lucht, waarvan men maar één ding wist, namelijk dat hij bestreden moest worden.

Grote invloed kreeg de Frankfurter Schule. Deze groep werd in 1924 in Frankfurt opgericht met het doel studie te maken van het fascisme. De leden waren allen joden en zij deden hun onderzoek welbewust vanuit freudiaans en marxistisch standpunt. In 1934 vluchtten zij naar Amerika en in 1951 kwamen zij zegevierend terug in Frankfurt. Hun bekendste publicaties waren Theodor Adorno (1951): “The autoritarian Personality”, Herbert Marcuse (1955): Eros and Civilisation en Erich Fromm (1941): The Fear of Freedom. Deze groep ontwikkelde ook de F-schaal, een vragenlijst waarmee men iemands fascistische gezindheid zou kunnen vaststellen. Het bekritiseren van hun opvattingen leidde onvermijdelijk tot tumult.

De Frankfurter Schule verklaarde het ontstaan van de nazi-ideologie in grote lijnen uit een autoritaire opvoeding gepaard gaande met onderdrukking van de seksualiteit. Deze verklaring  ging terug op de theorie van Freud dat het leven van de mens wordt beheerst door twee fundamentele, tegengestelde driften: de levensdrift en de doodsdrift. De levensdrift zou zich volgens deze theorie onder andere uiten in de seksualiteit en de doodsdrift in een overmatig streng geweten, onderdrukking van de seksualiteit en agressie jegens de medemens.

Deze theorie werkte sterk door bij de jeugd. Deze was opgegroeid in een sfeer van soberheid en wederopbouw, waarbij men de vooroorlogse strenge moraal probeerde te restaureren, maar waarin tegelijkertijd de gedachten voortdurend waren vervuld van de “bevrijding van de tirannie van de nazi’s”. Wat er nu gebeurde is een voorbeeld van de ironie van de geschiedenis: de jeugd begon de theorie dat het fascisme werd gekenmerkt door een autoritaire mentaliteit toe te passen op de eigen ouders, de eigen regering en de eigen gezagsdragers, dus op mensen die vaak het fascisme uit alle macht hadden bestreden. De jeugd wilde een tweede, eigen “bevrijding”. Dit leidde tot de studentenopstanden, die omstreeks 1968 hun hoogtepunt bereikten. De gecompliceerde vraag in hoeverre zij gelijk hadden moet hier in het midden worden gelaten, maar de term “fascist” werd door hen te pas en te onpas gebruikt. Als zij bijvoorbeeld politie te paard zagen werd die door hen meteen als “fascistisch” bestempeld (en ook oprecht zo ervaren). De term “fascist” werd een scheldwoord met een zware emotionele lading. Die emotionaliteit was afkomstig van de Tweede Wereldoorlog, maar de rationele inhoud daarvan begon steeds verder los te raken van deze oorlog.

Een belangrijke rol bij dit alles speelde de introductie van de anticonceptiepil, die in Amerika in 1960 op de markt kwam en in Nederland in 1964. In bovengenoemde studies van de nazi-ideologie waren seksuele terughoudendheid en zelfbeheersing steeds beschreven als een uiting van de doodsdrift en als iets dat door de establishment werd gepropageerd om daarmee macht te kunnen uitoefenen. Voor een deel van de jeugd leek vrije seks, mogelijk gemaakt door de anticonceptiepil, een middel om te protesteren tegen het als autoritair gevoelde gezag. Deze gedachte zat ook achter het succes van de beroemde slogan: “Make love, not war”. Ieder die het belang van seksuele zelfbeheersing verdedigde liep het gevaar uitgescholden te worden voor bekrompen, puriteins en fascist.

Een andere belangrijke fase in de geschiedenis van de collectieve emotionaliteit was de anti-apartheidsbeweging. Deze was vooral sterk in Nederland, waar hij bestond uit minstens vijf aparte bewegingen. De eerste, de AABN (Anti Apartheids Beweging Nederland) werd opgericht in 1971. Een groot succes werd de boycot van Outspan sinaasappels in 1973 en 1974. Het was een merkwaardige ver-van-mijn-bed actie. Nederland had geen enkele ervaring met de grote problemen die in Zuid-Afrika waren ontstaan wanneer verschillende “rassen” met verschillende culturen moeten samenleven. Maar toch voelden degenen die, vanuit hun leunstoel of vanachter de katheder, zonder enig persoonlijk risico te lopen, fulmineerden tegen de apartheid zich verzetshelden. En degenen die een vooraanstaande positie hadden verworven binnen de apartheidsbeweging hadden een streepje voor bij politieke benoemingen of wanneer er bijvoorbeeld een hoogleraar werd gezocht in de filosofie.  Maar de emotionaliteit waarmee de actie werd gevoerd was enorm. En wee degene die bedenkingen had en dit onder woorden bracht.

Nog vóór de antiapartheidsbeweging was uitgewoed begon een nieuwe fase in de ontwikkeling en de transformaties van de collectieve emotionaliteit. In 1980 werd de Centrumpartij opgericht en in 1981 werd Hans Janmaat daarvan de voorzitter. Hij was tegen de “multiculturele samenleving” en gebruikte verkiezingsleuzen als “Vol is vol” en “Eigen volk eerst”. Dit was een totale ontkenning van de idealen van de anti-apartheidsbeweging en een ondermijning van het grote morele krediet dat de activisten in hun eigen ogen hadden verworven. Er ontstond een grote volkswoede en men verketterde Janmaat als “extreem rechts” (wat dat dan ook mag betekenen). Hierbij speelden vage emoties de hoofdrol en ging men niet in op zijn argumenten. Hoe gepolariseerd het hierbij toeging blijkt bijvoorbeeld uit de waarneming van de statisticus Jan van Beek (in 2010) dat partijen als de CP en de CD een grote hypotheek legden op elke economische analyse van de voor- en nadelen van immigratie. “De aanwezigheid van het extreem-nationalisme bracht de intellectuele elite tot de overtuiging dat Janmaat geen ammunitie verschaft mocht worden”. Opmerkelijk is overigens dat Van Beek de dragers van deze collectieve emotionaliteit hier aanduidde als “intellectuele elite” (1).

Er werden zo’n 300 processen tegen Janmaat aangespannen wegens het “aanzetten tot rassenhaat en discriminatie”. Dit leidde tot meerdere dubbelzinnige veroordelingen, dubbelzinnig in die zin dat de straffen over het algemeen straffen laag leken, maar in feite heel zwaar waren doordat zij het Janmaat moeilijk maakten zijn politieke loopbaan te vervolgen. Dit droeg bij aan de schimmigheid waarbinnen alles zich afspeelde en die uitnodigde tot nog verdere verheviging van de collectieve emotionaliteit. Een officier van Justitie stelde in haar requisitoir tegen Janmaat dat deze leuzen eigenlijk nog erger waren dan openlijk racisme. “Een versluierende tekst zal door een grote groep overgenomen worden zonder dat men zich realiseert wat men eigenlijk zegt. Het enge gedachtegoed zal daardoor mogelijk makkelijker ingang vinden”. Dit leidt tot de vraag: wat zou Janmaat eigenlijk hebben willen versluieren? Zijn uitspraken waren duidelijk genoeg. Kennelijk ging de aanklager er van uit dat achter de uitspraken van Janmaat iets nog veel ergers schuilging. Iets griezeligs en ongrijpbaars. Hier gebruikte de aanklager geen rationele argumenten, maar deed zij een beroep op het grote reservoir aan antiracistische en antifascistische emoties die in de geest van het publiek waren verzameld en die op ieder moment, als bij het doorbreken van een stuwdam, geactiveerd kunnen worden.

(1) Geciteerd naar het uitstekende artikel in wikipedia over Hans Janmaat.

Literatuur:
Gerald H.E. Russelman (2003): Honderd jaar antifascistische psychologie, Een terugblik op de invloedrijkste psychologische stroming van de twintigste eeuw.
Joost Niemöller (2015) De verschrikkelijke Janmaat. Nederland en de Centrumpartij

(geplaatst op 6 juni 2019)