Op weg naar gedachtenpolitie?

Zowel de Verenigde Naties als de Europese Unie zijn ontstaan uit het tijdens en na de Tweede Wereldoorlog gegroeide verlangen naar duurzame vrede en het streven naar politieke structuren die volgende oorlogen konden voorkomen. Hiertoe stelde men in de loop van de tijd een reeks mensenrechtenverdragen op. De eerste was de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 en de tweede was het “Internationaal Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van Racisme” van 1965.

Het eerstgenoemde mensenrechtenverdrag was niet bindend en idealistisch gesteld. Het tweede echter was wel bindend en bevat zeer stringente verbodsbepalingen. Een groot probleem hierbij is dat het hinkt op twee gedachten. Toen het ontstond was het de tijd van de dekolonisatie en daardoor was het in eerste instantie gericht op het regelen van de nieuwe internationale politieke verhoudingen.  Maar tegelijkertijd wilde men met dit verdrag nieuwe oorlogen voorkomen.  De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog met zijn Jodenhaat en holocaust lag nog vers in het geheugen en  daardoor men zag in de “rassenhaat” de bron van alle kwaad. Wie oorlogen wilde voorkomen moest allereerst deze “rassenhaat” bestrijden. Hierdoor kreeg het verdrag een sterk moralistische en opvoedende strekking. Deze komt vooral hierin tot uiting dat het niet alleen betrekking heeft op strafbare dáden, maar ook op strafbare gevoelens en gedachten. Dit heeft echter een groot gevaar in zich: het kan gemakkelijk leiden tot de invoering van gedachtenpolitie.

Na het sluiten van het (bindende) ICERD-verdrag zijn de bepalingen ervan geïmplementeerd in de nationale wetgevingen van vrijwel alle landen op de wereld. In het volgende worden vier gevallen besproken waarin men zich kan afvragen of de huidige, in belangrijke mate op het ICERD-verdrag gebaseerde wetgeving niet al de grens naar de gedachtenpolitie is gepasseerd.