Op weg naar gedachtenpolitie?

Zowel de Verenigde Naties als de Europese Unie zijn ontstaan uit het tijdens en na de Tweede Wereldoorlog gegroeide verlangen naar duurzame vrede en het streven naar politieke structuren die volgende oorlogen konden voorkomen. Dit streven leidde onder andere tot het  “Internationaal Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van Racisme” van 1965.

Toen dit verdrag ontstond was het de tijd van de dekolonisatie en daardoor was het in eerste instantie gericht op het regelen van de nieuwe internationale politieke verhoudingen.  Maar tevens had het een sterk moralistische en opvoedende strekking. De herinnering aan de Jodenhaat en de holocaust lag nog vers in het geheugen en men zag in de “rassenhaat” de bron van alle kwaad. Wie oorlogen wilde voorkomen moest allereerst “rassenhaat” bestrijden. Hierdoor ontstond er een verdrag dat niet alleen betrekking had op strafbare dáden van de individuen, maar ook met hun gevoelens en gedachten. Dit heeft echter het grote gevaar in zich dat het kan leiden tot de invoering van gedachtenpolitie.

Na het sluiten van het (bindende) ICERD-verdrag zijn de bepalingen ervan geïmplementeerd in de nationale wetgevingen van vrijwel alle landen op de wereld. In het volgende worden vier gevallen besproken waarin men zich kan afvragen of de huidige wetgeving niet reeds de grens naar de gedachtenpolitie is gepasseerd.