Fase 1: Daadgericht recht, maar meewegen van het (uitwendig) motief

Er heeft lang in het strafrecht het ideaal geleefd dat een mens niet veroordeeld mag worden op grond van zijn gedachten, gevoelens of motivaties, maar alleen op grond van zijn daden. Toch wordt binnen dit primair op de daad gerichte recht soms rekening gehouden met het motief van de dader. Hierbij wordt éérst vastgesteld of iemand een strafbare daad heeft verricht en  daarná wordt bij de bepaling van de strafmaat het motief in rekening gebracht. 

Twee bekende gevallen zijn geweld met terroristisch motief (oogmerk) en geweld met discriminerend motief. Dat laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een inbraak in de etalage van een Joodse winkel. Maar hier ziet men meteen al hoe moeilijk het is voor de rechter om het motief te achterhalen. Ging het de inbreker om de buit of wilde hij een demonstratieve anti-Joodse daad stellen? Of beide?

Bij het begrip motief moet men in eerste instantie denken aan een psychologisch gezien uitwendig doel, niet een diepere, innerlijke drijfveer. Maar toch rijst ook hier de vraag of het moeten achterhalen van het motief de rechter niet dwingt om te trachten diep, te diep, door te dringen in het denk- en gevoelsleven van de overtreder. Gaat dit niet de richting uit van gedachtenpolitie?  Dit is een van de redenen waarom sommige juristen menen dat het motief in het geheel geen rol behoort te spelen in het strafrecht. Een andere reden is dat deze vorm van rechtspraak een discriminerend aspect heeft. Waarom, zo kan een “gewoon” persoon zich afvragen, moet het in elkaar slaan van een Jood, homoseksueel of buitenlands gekleurde persoon zwaarder bestraft worden dan het in elkaar slaan van mij? Ben ik minder waard?

Literatuur:

•  Tim Vis (2015): Motief hoort geen rol te hebben in het strafrecht.  https://defusie.net/motief-hoort-geen-rol-te-hebben-het-strafrecht/