De huidige wetgeving ziet over het hoofd dat niet de haat, maar de wilsbeslissing cruciaal is

Analyse van het probleem
Strikt genomen wordt in de wet alleen het áánzetten tot (rassenhaat) strafbaar gesteld en niet het hébben van (rassen)haat. Maar het onderscheid dat hier gemaakt wordt is psychologisch gezien problematisch want het hebben van haat is van nature verbonden (stap 1) met het expressie geven aan die emotie en het expressie geven aan die emotie is van nature verbonden (stap 2) met het aanzetten tot haat. Dat betekent dat er een geleidelijk overgang is van haat naar aanzetten tot haat.
              Nu zou men kunnen proberen deze overgang minder geleidelijk te maken door de twee overgangsstappen te bemoeilijken. Men kan dan:
(stap 1) Trachten deze verbinding te verbreken door te eisen dat men de emotie haat wel mag hebben, maar er met niemand over mag praten.
(stap 2) Trachten deze verbinding te verbreken door te eisen dat als met praat over deze emotie, dat men er dan alleen op een bijzonder saaie, afstandelijke manier over mag praten. En misschien zou men er over mogen schrijven in wetenschappelijke bladen die niemand leest. Maar het schrijven van gedichten over deze emotie is verboden. Evenals trouwens er over “rappen”.
            Het ziet er naar uit dat de wet hier een onderscheid poneert dat psychologisch niet bestaat. De hele aanpak van het probleem hoe een mens komt van een gedachte naar een strafbare handeling is een juridische constructie en psychologisch beneden de maat. Een in dit opzicht betere aanpak is de volgende:
De vrije ruimte in de psyche
Er is in de psyche van de mens een ruimte aanwezig oor vrij denken en fantaseren. In deze ruimte mogen wij gedachten hebben over zaken die in werkelijkheid onmogelijk zijn, bijvoorbeeld over net zoveel geld uitgeven als we willen of over het bestaan van een perpetuum mobile. We mogen ook fantaseren over strijd: strijd voor mensen en zaken die wij liefhebben en strijd tegen alles wat de personen en zaken die wij liefhebben wil beschadigen. Al deze gedachten en fantasieën gaan gepaard met gevoelens: prettige en onprettige. Wanneer wij denken aan iets of iemand die wij liefhebben geeft dat een prettig gevoel. Wij kunnen ons ook voorstellen dat iemand die ons heeft beledigd een pak slaag krijgt. Dat geeft ook een aangenaam gevoel. In deze vrije ruimte is plaats voor haast alle emoties.
De wilsbeslissing als cruciale stap van vrij denken en fantaseren naar handelen
Maar is het moreel verantwoord om in deze vrije ruimte plaats te geven aan haat? Volgens mij draait in de moraal alles om de overgang van denken en fantaseren naar handelen. Het denken en het fantaseren gaan hun eigen gang, daar heeft een mens betrekkelijk weinig invloed op. Maar de overgang van denken en fantaseren naar handelen heeft hij in hoge mate in zijn greep. Hiervoor is hij verantwoordelijk, hier kan hij eigen keuzen maken. In de oudere psychologie sprak men hier van de “wilsbeslissing”.
       Stel bijvoorbeeld dat iemand in ernstige financiële problemen zit en een grote erfenis kan verwachten. Dan is het mogelijk dat hij denkt: als mijn vader of moeder nu dood zou gaan zou ik van alle problemen af zijn. Sommige moralisten zouden hier misschien zeggen: deze gedachte is zo onfatsoenlijk dat men hem niet eens mag dénken. Maar deze opvatting ál te streng. Deze gedachte is namelijk volstrekt logisch en zelfs onvermijdelijk. De betreffende persoon hoeft hem niet te onderdrukken of zich daarvoor schuldig te voelen. Want waar alles om draait is of hij vanuit deze gedachte de stap zet naar de handeling moord. Voor een normaal mens is zelfs het overwegen van het zetten van deze stap absurd.
Het onderscheid tussen een gevoel en een motivatie
In de gangbare handboeken over psychologie worden de onderwerpen emotie en motivatie gewoonlijk in één hoofdstuk behandeld. De reden is dat beide onderwerpen vaak zozeer met elkaar zijn verstrengeld dat het handig ze gezamenlijk te bespreken.
        Toch verschilt een emotie van een motivatie. Een passief gevoel (emotie) als somberheid kan men onmogelijk een motivatie noemen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het hebben van een afkeer van het dialect van Vlamingen of van de Franse taal. Een dergelijke afkeer wordt vaak “haat” genoemd, maar is passief en is geen motivatie. Toch kan het passieve gevoel “haat” wel overgaan in de actieve motivatie “haat”. Het ziet er naar uit dat de beslissende barrière bij de overgang tussen deze beide wordt bepaald door een wilsbeslissing (hoe klein misschien soms ook).  Het is dan ook de vraag of het verstandig is voor deze twee principieel verschillende zaken hetzelfde woord “haat” te gebruiken.
Had de Jodenhaat in nazi-Duitsland dan niet bestreden moeten worden?
Men zou tegen de opvatting dat gevoelens en motivaties (zolang ze niet hebben geleid tot een verkeerde wilsbeslissing) vrij zijn en buiten het strafrecht moeten worden gehouden kunnen aanvoeren dat de geschiedenis van nazi-Duitsland leert dat het juist erg nodig is om tijdig het ontstaan van zoiets als Jodenhaat te bestrijden. Maar ook in dit geval, hoe emotioneel het ook ligt, moet men psychologisch verantwoord blijven denken. Want wat wil men eigenlijk bestrijden? De reden waarom de Duitse soldaten die in de tweede wereldoorlog Joden afvoerden naar concentratiekampen fout waren ligt niet in hun gevoel, maar in hun gedrag. Velen van hen hadden helemaal geen Jodenhaat, ze deden eenvoudig wat hun werd opgedragen. Ze waren fout vanwege hun medewerking aan moord op medemensen. Wat er ontbrak in deze tijd was een verbod op feitelijk aantoonbare discriminatie. De vraag of men Joden al of niet akelige mensen vond deed hierbij niet terzake.
         Hier kan men herinneren aan de christelijke opdracht om de naastenliefde uit te strekken tot de vijand. Dat is een opdracht voor het handelen: als onze vijand in een put valt moeten we hem er uit halen. Maar het is geen opdracht voor ons gevoelsleven. We hoeven onze vijand niet aardig te vinden. We mogen zelfs een hekel aan hem hebben, als daar grond voor is.
8 april 2021