De artikelen in de huidige wet die betrekking hebben op (rassen)haat

 
Het begrip haat komt in de huidige wet op twee plaatsen ter sprake, namelijk in de ICERD en in het wetboek van Strafrecht.  Het gaat hierbij echter niet om haat in het algemeen, maar om het bijzondere geval van rassenhaat. De betreffende teksten zijn:
 
I. Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (ICERD, geformuleerd in 1965, voor Nederland in werking getreden in 1972).
Het woord “haat” komt hierin driemaal voor:
  • Inleiding (de Staten die partij zijn bij dit Verdrag): Verontrust door de uitingen van rassendiscriminatie die nog in verschillende delen van de wereld kunnen worden waargenomen en door het beleid van sommige regeringen dat is gebaseerd op superioriteit van ras of op rassenhaat, zoals de apartheidspolitiek of een andere politiek van rassenscheiding, ……
  • Artikel 4: De Staten die partij zijn bij dit Verdrag veroordelen alle propaganda en alle organisaties die berusten op denkbeelden of theorieën die uitgaan van de superioriteit van een bepaald ras of een groep personen van een bepaalde huidskleur of etnische afstamming, of die trachten rassenhaat en rassendiscriminatie in enige vorm te rechtvaardigen of te bevorderen, ……..
  • Artikel 4 (a):  …… strafbaar bij de wet te verklaren het verspreiden, op welke wijze ook, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, aanzetting tot rassendiscriminatie, zomede alle daden van geweld of aanzetting daartoe, ………..
II. Het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Het woord “haat” komt hierin tweemaal voor:
  • Artikel 137d: “Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”                    
  • Artikel 137e: Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving ….. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap; ……  wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Historische toelichting bij het ontstaan van de uitdrukking “aanzetten tot haat” in het wetboek van Strafrecht
De uitdrukking “aanzetten tot haat” komt niet  letterlijk voor in de ICERD, maar kan daaruit wel worden afgeleid. In artikel 4  wordt namelijk een veroordeling uitgesproken van (ingekort) “alle propaganda die berust op denkbeelden die trachten rassenhaat te bevorderen”.  De historische achtergrond van de opname van het begrip “aanzetten tot rassenhaat” in het wetboek van Strafrecht is als volgt. 
        Het Wetboek van strafrecht in zijn huidige vorm stamt uit 1886. De artikelen 131 – 156 vallen onder het (vijfde) hoofdstuk “Misdrijven tegen de openbare orde”.  Toen in 1934 het antisemitisme in Duitsland ernstige vormen begon aan te nemen besloot men in Nederland om een wet in te voeren om de verbreiding hiervan tegen te gaan. Hiertoe breidde men artikel 137 uit met een bepaling waarin degene strafbaar werd gesteld die “zich opzettelijk in beledigende vorm uitlaat over eene groep van de bevolking”.  Merk op dat hier het begrip haat en de voorwaarde “wegens ras” nog niet voorkomen.  
        In 1965 werd de ICERD geformuleerd en deze moest de volgende jaren in de Nederlandse wet worden geïmplementeerd. Men meende dat o.a. te kunnen doen door artikel 137 te veranderen en uit te breiden.  In artikel 137d werd aanzetten tot haat en tot discriminatie (wegens ⊗) strafbaar gesteld. In artikel werd 137e werd het openbaar maken (anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving) van bepaalde uitingen strafbaar gesteld, namelijk uitingen die (wegens ⊗) beledigend zijn voor een groep of aanzetten tot haat of tot discriminatie.
        
⊗ = ras, godsdienst of levensovertuiging,  (geslacht), hetero- of homoseksuele gerichtheid of  lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.  
 
De wet gebruikt het begrip haat, maar geeft daarvan geen definitie
Het is het ideaal van de Europese wetgeving om alleen uiterlijk constateerbare handelingen strafbaar te stellen, en geen gedachten, emoties of motivaties. Bovengenoemde bepalingen van de ICERD en het Wetboek van Strafrecht houden zich in eerste instantie aan dit ideaal. Primair uitgangspunt is de strafbaarstelling van discriminatie als uiterlijk constateerbare handeling. Maar daarnaast komt in de ICERD en het wetboek van Strafrecht toch ook de mogelijke motivatie daarvan ter sprake, zoals rassenhaat (en rassuperioriteit). Deze haat wordt, overeenkomstig het ideaal van het “dadersrecht”, niet strafbaar gesteld. Kennelijk meent de wetgever deze motivatie doordat hij pas seculdair een rol speelt, niet nader te hoeven definiëren. “Haat” blijft iets vaags en algemeens, dat de kwalijke eigenschap heeft tot feitelijke discriminatie te kunnen leiden.
             Maar toch rijst de vraag: waarom de wetgever hier niet een meer neutrale term als “afkeer” gebruikt. Waarom de beschuldigende en ophitsende term “haat”? Het antwoord is dat deze term stamt uit het zwaargeladen, emotionele klimaat van het tijdperk van dekolonisatie waarin de ICERD werd opgesteld. Toen was de term “rassenhaat” op ieders lippen en leek het vanzelfsprekend dat die in de wetgeving moest worden opgenomen. Maar achteraf gezien werd hiermee een verwarrend, psychologisch onzuiver denkklimaat geschapen. 
 
De wet stelt “(rassen)haat” niet strafbaar, maar wél het “aanzetten tot (rassen)haat” 
Het strafbaar stellen van discriminatie (als uiterlijk aantoonbare daad) is begrijpelijk en geeft geen logische problemen. Heel anders ligt dat bij het niet strafbaar laten van “haat” en het wél strafbaar stellen van “aanzetten tot haat”. Natuurlijk kan men juridisch volhouden dat “haat” een gevoel of motivatie is en “aanzetten tot haat” een handeling, maar is dat psychologisch gezien wel verantwoord?  Is het geen juridische constructie om de schijn van behoud van dadersrecht hoog te houden? In de psychologie geldt dat gevoelens “besmettelijk” zijn, dus het gevoel van “haat”  is in zichzelf al een vorm van aanzetten tot haat. Wordt deze problematiek hier niet extra aan het oog onttrokken door het nalaten een definitie van “haat” te geven? Deze vragen komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.