Conclusie: het strafbaar stellen van aanzetten tot haat overschrijdt in de praktijk de grens naar gedachtenpolitie

 
Ter toelichting eerst enkele voorbeelden van schadelijke denkverboden
Wanneer men grenzen stelt aan het denken blijft er van echt creatief denken weinig over. Om dit toe te lichten drie voorbeelden: 
  1. In de geschiedenis van de logica is het een belangrijke gebeurtenis geweest dat Abaelardus  in de 12e eeuw de “ja-nee methode” introduceerde. Hierbij worden twee tegengestelde opvattingen tegenover elkaar gesteld en deze worden vervolgens met argumenten bediscussieerd. Hierbij koos Abaelardus vaak een dogma uit de theologie als uitgangspunt en stelde daar dan een alternatieve opvatting tegenover. Dit had tot gevolg dat hij fel werd aangevallen door Bernard van Clairvaux, die meende dat foute opvattingen niet mochten worden geformuleerd. Gelukkig werd de methode van Abaelardus toch geaccepteerd. Dit was van het grootste belang voor de ontwikkeling van de logica.
  2. De zogenaamde “gok” van Pascal”. Pascal was een zeer vroom man, maar tevens een van de grondleggers van de kansrekening. Hij stelde: “Er zijn twee mogelijkheden: God bestaat wél of hij bestaat niét. Maar het is het gunstigst om aan te nemen dat hij wél bestaat.” Sommige critici zeiden echter: “Je mag niet denken dat God niet bestaat, ook niet als theoretische mogelijkheid!” Het behoeft geen betoog dat met zo’n verbod het denken wordt lam gelegd.
  3. In 2018 bracht iemand in Nederland in een besloten app-groep het probleem ter sprake dat in Amerika de zwarte bevolking gemiddeld een lagere IQ-score heeft dan de blanke bevolking. Dit “lekte uit” en overal sprak men er schande van. Kennelijk mag men voor het gevoel van het grote publiek niet over dit probleem praten of denken. Natuurlijk is dit een gevoelig probleem, maar als men het niet zou mogen formuleren zou niet de psychologisch belangrijke ontdekking zijn gedaan dat de gebruikte IQ-testen sterk cultuurafhankelijk zijn. Hiermee zou de de ontwikkeling in de psychologie op dit punt zijn gestopt. 
        
Het strafbaar stellen van haat leidt tot gedachtenpolitie
Strikt genomen stelt de wet niet het gevoel rassenhaat strafbaar, maar de handeling aanzetten tot rassenhaat. Dit is echter slechts theorie, want er zijn verschillende redenen waarom het strafbaar stellen van aanzetten tot rassenhaat in de praktijk leidt tot het strafbaar stellen van het gevoel van rassenhaat en vervolgens tot het gevoel van haat in het algemeen. Deze redenen zijn de volgende:
  1. Het onderscheid tussen rassenhaat en aanzetten tot rassenhaat is vloeiend. Stel dat rassenhaat is geoorloofd, dan is ook het op aansprekende wijze expressie geven aan die haat geoorloofd, maar deze kan meteen worden opgevat als aanzetten tot haat.
  2. Het is psychologisch niet realistisch om te midden van de vele bestaande vormen van haat één vorm van haat strafbaar te stellen. De strafbaarstelling van deze ene vorm zal zich uitbreiden naar de andere vormen. 
  3. Ook de ICERD, het verdrag waarop de strafbaarstelling van rassenhaat  terug gaat, maakt het begrip rassenhaat enorm rekbaar door het begrip “ras” uit te breiden met godsdienst,  sekse, nationaliteit, enzovoort. 
  4. We zien dan ook dat voor het grote publiek het onderscheid tussen strafbaarstelling van rassendiscriminatie, van aanzetten tot haat en van het hebben van het haat in de praktijk is weggevallen.  Wanneer iemand wordt uitgemaakt voor “racist” wordt hij zonder meer aangesproken op een gevoel (dat dus juridisch niet strafbaar zou zijn). De verwarring blijkt ook uit de discussies over “hate speech” en “hate-tweets”. 
In dit verwarde klimaat werkt de enorme uitbreiding van de oorspronkelijke strafbaarstelling van feitelijk aantoonbare rassendiscriminatie uit als gedachtenpolitie. Er is een “politiek correct” klimaat ontstaan waarin haast niemand nog durft vrij te denken en zich te uiten. Steeds is er de dreiging aanwezig ergens voor aangeklaagd te zullen worden.