Een definitie van haat

Het begrip haat is een containerbegrip, in eerste instantie kan men het definiëren als een negatieve emotie of motivatie die gericht is op een uitwendig object. Er bestaat een grote verscheidenheid aan dergelijke negatieve emoties of motivaties en deze kan men van elkaar onderscheiden door te letten op:
A. De intrinsieke eigenschappen,
B. Het object waarop ze zijn gericht.

A. Vormen van “haat” die van elkaar verschillen door hun intrinsieke eigenschappen
De belangrijkste van deze eigenschappen is de sterkte of intensiteit. Over het algemeen worden gevoelens van afkeer alleen “haat” genoemd als ze heel sterk zijn. Maar tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat het vaak slordig en overdreven wordt gebruikt. Zo kan een puber bijvoorbeeld zeggen: “Ik háát groente”, zonder dat daarbij werkelijk van een diepe emotie sprake is.
            Daarnaast zijn er vele andere mogelijkheden waarop men hetzelfde object op verschillende wijzen kan haten. De haat kan bijvoorbeeld religieus zijn, of geworteld in vaderslandsliefde. Hier komt men op het terrein van de motivatie en de psychologie van het individu. Maar het zou te ver voeren om te proberen om dit onderwerp hier (in een website die in eerste instantie gericht is op politiek, uitwendig handelen) nader te onderzoeken.

B. Vormen van haat die van elkaar verschillen door hun uitwendige object
  1. Haat met een vaag object. Hiervan is sprake als iemand zegt: “Ik haat het om gestoord te worden”, of als een politierechercheur zegt: “Ik haat toevalligheden”.
  2. Haat tegen een abstracte zaak: communisme, kapitalisme, religie, het “systeem”, enzovoort. Hierbij wil men de gehate zaak vernietigen, maar die vernietiging is geen doden. Hij heeft in eerste instantie te maken met de wens dat structuren veranderen of dat mensen van mening veranderen. Haat tegen “politiek links” of “politiek rechts” valt in zekere zin ook in deze categorie. Maar men zou die ook kunnen rekenen tot de volgende categorie.
  3. Haat jegens een groep mensen. Toen de mensen nog in stamverband leefden was haat jegens andere stammen vrij normaal. In de huidige tijd kent iedere groep die als groep duidelijk kan worden geïdentificeerd wel haters: gereformeerden, rijken, islamieten, Joden, blanken, Marokkanen, grachtengordelbewoners, kickboksers, enzovoort.
  4. Haat jegens een individuele persoon. Dit is de belangrijkste en moreel meest problematische categorie. Meer nog dan bij de andere categorieën speelt hier de de sterkte, de gradatie een rol. De gehate persoon hindert ons. die hindernis willen wij verwijderen. Maar willen we hem of haar ook beschadigen of vernietigen? Want voor personen geldt het gebod: “Gij zult niet doden”. Hier ontstaat een gewetensconflict. Naast de persoon die ons hindert is er nu ook ons eigen gewetensconflict dat ons hindert. We tobben er over of we verplicht zijn hem of haar te vergeven.
  5. Haat jegens een persoon of groep, maar dan in de speciale betekenis van vergeldingsdrang. Hoewel het woord “haat” vaak in deze betekenis wordt gebruikt is hier toch sprake van een aparte categorie. Enigszins paradoxaal uitgedrukt: deze vorm van haat is eigenlijk helemaal geen haat. Wanneer iemand zich jegens ons heeft misdragen willen we hem straffen, pijn doen. Die vergeldingsdrang heeft een tijdelijk karakter. Als de betreffende persoon zijn pak slaag heeft gehad zijn we bevredigd en is de vergeldingsdrang verdwenen. Het komt ook vaak voor dat we vergeldingsdrang voelen jegens iemand die we liefhebben. Dan moet die persoon eerst worden bestraft, daarna kunnen we verdergaan met liefhebben. Als het goed is willen we hier wel pijn doen, maar niet blijvend beschadigen.
Voor al deze categorieën geldt dat de haat meer passief of meer actief kan zijn. Bij passieve haat ervaart de betreffende persoon een gevoel van haat, maar doet er verder niets mee. Bij actieve haat wil hij de persoon of de zaak die het object is van zijn haat aanpakken of misschien zelfs vernietigen.
               Een andere variabele van de haat is de mate waarin hij ons bindt aan het gehate object. Deze binding kan zo sterk worden dat hij ons zelf gaat schaden. Zo sprak Freud terecht van een “negatieve vaderbinding”. Deze binding kan zelfs een obsessie worden. Dat thema is bijvoorbeeld op een interessante wijze uitgewerkt in de roman “In de ban van de tegenstander” (2009) van Hans Keilson.
 
8 juni 2020, herzien 22 maart 2021