De OVSE-definitie van hate-crime betekent feitelijke invoering van gedachtenpolitie

Momenteel geeft de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE ) de volgende  definitie van hate crimes:
 
Hate crimes are criminal acts motivated by bias or prejudice towards particular groups of people. To be considered a hate crime, the offence must meet two criteria. The first is that the act constitutes an offence under criminal law. Secondly, the act must have been motivated by bias (1). 
 
Dit is een logisch onverantwoorde definitie, want hij gaat uit van een onlogische onderverdeling. Laten we om dit duidelijk te maken eerst kijken naar een voorbeeld waarbij de onderverdeling wél logisch in orde is: 
                Geweldsdaad —–  (1) gemotiveerd door “gewone” criminaliteit
                                                       (2)  terroristisch motief 
In dit voorbeeld is de onderverdeling logisch in orde. Geweldsdaden zijn objectief aantoonbare strafbare feiten en die kunnen worden onderverdeeld in twee soorten. Hier is voldaan aan het oude ideaal van de westerse rechtspraak dat alleen objectief aantoonbare handelingen strafbaar worden gesteld. Als een dergelijke handeling eenmaal objectief is vastgesteld wordt (achteraf) in sommige gevallen rekening gehouden met de motivatie, namelijk bij het bepalen van de strafmaat. In Nederland wordt een geweldsdaad met een terroristisch motief zwaarder gestraft dan andere.
Maar laten we nu kijken naar het volgende voorbeeld:
                Belediging ——– (1) gemotiveerd door verachting
                                                    (2) gemotiveerd door verachting voor een minderheidsgroep
De belediging is hier een objectief aantoonbaar feit, maar over het algemeen niet strafbaar. Hij wordt pas strafbaar wanneer hij wordt gemotiveerd door verachting voor een bepaalde minderheidsgroep. Dan wordt het een “hate crime”.  Dat betekent dat de klassieke volgorde van éérst objectief bewijs leveren en daarná (eventueel) de strafmaat bepalen aan de hand van de motivatie hier niet is gevolgd. Hier wordt aan de hand van de motivatie bepaald of de objectief aantoonbare daad strafbaar is. De motivatie is hier primair geworden, die bepaalt of een daad al of niet strafbaar is. De tweede eis reduceert de eerste eis tot objectieve aantoonbaarheid (onafhankelijk van strafbaarheid). Die wordt dus overbodig. Anders gezegd: de motivatie is strafbaar, maar hij moet wel zichtbaar worden in een daad. 
              Hiermee wordt hopelijk ook duidelijk wat er logisch gezien aan bovenstaande definitie van een hate crime niet klopt. Hij had moeten luiden:
Om als een hate crime te kunnen worden beschouwd moet de handeling een offence vormen die objectief aantoonbaar is en moet hij zijn gemotiveerd door vooringenomenheid (bias). 
 
Om een openbare daad als hate crime te kunnen bestempelen hoeft dus niet bewezen te worden dat hij een reeds bestaande wet overtreedt, maar dat het motief een vorm van vooringenomenheid was. [Volgende vraag] Maar hoe kan dat bewezen worden? In een jaarverslag van de OVSE is het voldoende dat de daad een “manifestatie van intolerantie” was.  
 
Dit betekent dat normale emotionele handelingen, zoals ruzie maken of  iemand voor “ezel” uitschelden, nauwelijks nog mogelijk zijn. Normale omgang met mensen met een andere huidskleur of seksuele geaardheid wordt gevaarlijk, want vroeg of laat verspreek je je en wordt je beschuldigd van een hate crime. Je hoeft geen constante afkeer van een dergelijke groep te hebben, een moment van emotionele overdrijving is voldoende. Je wordt veroordeeld op grond van je motieven en zelfs op grond van aan jou toegeschreven motieven. Veroordeeld kunnen worden op grond van je motieven is gedachtenpolitie. Veroordeeld kunnen worden op grond van aan jou toegeschreven motieven is nog erger. 
 
 
3 september 2021