De beschuldiging van haat en het recht op verdediging van het “ik”.

Achter al de in het voorgaande besproken onderwerpen doemt steeds de vraag op: is het hebben van haat moreel aanvaardbaar? Het zelf initiëren van haat is wellicht in alle gevallen verwerpelijk. Maar als men wordt aangevallen, mag men dan de aanvaller haten? Deze vraag wordt gecompliceerder als men niet materieel wordt aangevallen, maar geestelijk. Er bestaan twee belangrijke vormen van zo’n geestelijke aanval. In de eerste plaats kan hij bestaan uit een golf van haat die men ten onrechte, als men dat niet heeft verdiend, op zich krijgt gericht. Voor een normaal mens is een dergelijke golf bijzonder belastend. Veel mensen bezwijken daar dan ook onder. In psychologisch vakjargon uitgedrukt: dan begint hun “ik” te desintegreren. Maar juist dan wordt de vraag urgent: mag een mens trachten zijn “ik” te beschermen door terug te haten?
        Een tweede vorm van zo’n geestelijke aanval is als men ten onrechte, dus zonder het verdiend te hebben, wordt beschuldigd van haat. Dat is bijzonder kwetsend. Het gevaar bestaat dat men dan vrijwel automatisch reageert door de beschuldiger te gaan haten. In feite wordt er dan haat (in mijn ziel) opgeroepen waar deze voordien niet was.  Ben ik daar schuldig aan?  In ieder geval is duidelijk dat door lichtvaardige beschuldiging van haat een vicieuze cirkel van haat kan ontstaan.
 
Zoals in de rechten van de mens is vastgelegd heeft een mens het recht (en de plicht) zijn lichamelijke bestaan te verdedigen.  Maar een mens heeft ook het recht zijn geestelijke bestaan te verdedigen. Als hij ten onrechte beschuldig wordt van haat kan hij min of meer reflexmatig proberen dat te doen door de beschuldiger te gaan haten. Maar veel beter is het om de situatie te doordenken en te analyseren. Men moet zich eerlijk afvragen of er in de beschuldiging van haat misschien een element van van waarheid zit. Als dat werkelijk het het geval is moet men zichzelf corrigeren. Als dat niet het geval is moet men standvastig zijn. Als het slechts een heel klein beetje het geval is, is het redelijk om dat te verwaarlozen.
 
Zoals bekend heeft Freud zich diepgaand bezig gehouden met wat hij noemde afweermechnismen. Anna Freud heeft daar  een mooi boek over geschreven: “Das Ich und die Abwehrmechanismen”. Hierin gaat het vooral om pathologische afweermechanismen, maar wat hier allereerst aan de orde moet komen zijn de normale, gezonde afweermechanismen. Het “ik” van een mens is de hele dag bezig zich te handhaven. Dat zou men kunnen vergelijken met de menselijke rechtopstaande houding. Wanneer een mens loopt of stilstaat is hij in principe in labiel evenwicht en moet hij van moment tot moment zijn spieren gebruiken om overeind te blijven. Daar is hij op gebouwd en hij kan dat urenlang volhouden. Het ziet er naar uit dat het “ik” zich op een vergelijkbare manier van moment tot moment moet handhaven. Als het ik kopje onder gaat spartelt het weer naar boven. Het ik wil niet de mindere zijn van anderen. Als het wordt vernederd gaat het zich in zijn fantasie schadeloos stellen. Een leerling die geconfronteerd wordt met een andere leerling die beter is in rekenen maakt zichzelf wijs dat hij beter is in talen. Iemand die geconfronteerd wordt met iemand die goed is in theorie, maakt zichzelf wijs dat hij beter is in praktijk. En als hij in geen van beide goed is maakt hij zichzelf wijs dat hij socialer is. Of beter in sport. De slaaf die zijn meester moet gehoorzamen droomt heimelijk van een hemel waarin hij de baas is en anderen hem moeten gehoorzamen. Wie onrecht wordt aangedaan droomt van een hemel waarin hij gerechtigheid ontvangt, waarin de misdadigers worden gestraft. Laten we hopen dat dit op de een of andere manier ook realiteit is.
           Dit afweermechanisme wordt vaak in een kwaad daglicht gesteld, vooral als het gaat over haat. Maar het is van groot belang dat we hier goed en nuchter over denken. We moeten vasthouden aan het standpunt dat het “ik” zich mag verdedigen, compleet met de daarbij gepaste emoties. Het mag zich beschermen tegen desintegratie als het ten onrechte beschuldigd wordt, bijvoorbeeld van haat. Dat geldt voor individuele personen, maar het geldt ook collectief: onderdrukte volken mogen een hekel hebben aan hun onderdrukkers (of dit “haat” mag zijn in alle consequenties is een andere vraag). En als een verdrag, zoals de ICERD, alle Europeanen beschuldigt van rassenhaat (en zegt: als dat niet het geval is, bewijs dat dan maar), dan hebben deze het recht te protesteren en zich te verweren.