Psychologisch: haat en het recht op ik-behoud

Achter al de in het voorgaande besproken onderwerpen doemt steeds de vraag op: is het hebben van haat moreel aanvaardbaar? Hier moeten natuurlijk allereerst de verschillende vormen van “haat” goed worden onderscheiden. Maar ook als men dat doet blijft de vraag: mag een mens trachten zijn “ik” beschermen door te haten (of dit de beste methode is is weer een andere vraag). En nauw samenhangend daarmee: in hoeverre mag of moet een mens zijn”ik” beschermen tegen desintegratie ten gevolge van haat van anderen?

Er bestaat het algemeen gebruikte begrip lijfsbehoud. Dat heeft betrekking op het menselijk lichaam. Het streven naar lijfsbehoud is aangeboren en het recht erop is onomstreden. Iedereen vindt het normaal dat als iemand in het water valt en kopje ondergaat, dat hij dan probeert naar boven te komen en naar de wal te zwemmen. Daarnaast bestaat er het algemeen gebruikte begrip zelfbehoud, maar dat  is erg breed omdat het betrekking heeft op zowel het lichaam als op de geest. Het begrip dat we hier nodig hebben kan het beste worden aangeduid als “ik-behoud”. Dat sluit aan bij het begrip “ik”, zoals dat gebruikt wordt in de psychologie. Bijvoorbeeld in het bekende boek van Anna Freud: “Das Ich und die Abwehrmechanismen”.

In dat boek gaat het om pathologische afweermechanismen (of om pathologisch gebruik van afweermechanismen). Maar wat hier allereerst aan de orde moet komen zijn de normale, gezonde afweermechanismen. Het “ik” van een mens is de hele dag bezig zich te handhaven. Dat zou men kunnen vergelijken met de menselijke rechtopstaande houding. Wanneer een mens loopt of stilstaat is hij in principe in labiel evenwicht en moet hij van moment tot moment zijn spieren  gebruiken om overeind te blijven. Daar is hij op gebouwd en hij kan dat urenlang volhouden. Het ziet er naar uit dat het “ik” zich op een vergelijkbare manier van moment tot moment moet handhaven. Als het ik kopje onder gaat spartelt het weer naar boven. Het ik wil niet de mindere zijn van anderen. Als het wordt vernederd gaat het zich in zijn fantasie schadeloos  stellen. Een leerling die geconfronteerd wordt met een andere leerling die  beter is in rekenen maakt zichzelf wijs dat hij beter is in talen. Iemand die geconfronteerd wordt met iemand die goed is in theorie, maakt zichzelf wijs dat hij beter is in praktijk. En als hij in geen van beide goed is maakt hij zichzelf wijs dat hij socialer is. Of beter in sport. De slaaf die zijn meester moet gehoorzamen droomt heimelijk van een hemel waarin hij de baas is en anderen hem moeten gehoorzamen. Wie onrecht wordt aangedaan droomt van een hemel waarin hij gerechtigheid ontvangt, waarin de misdadigers worden gestraft.

Dit afweermechanisme wordt vaak in een kwaad daglicht gesteld, vooral als het gaat over haat.  Maar het is van groot belang dat we hier goed en nuchter over nadenken. We moeten vasthouden aan het standpunt dat het “ik” zich mag verdedigen, compleet met de daarbij gepaste emoties. Het mag ook zijn leven betekenis geven en ondergang afweren door te dromen van een blijvende schat is de hemel. Het mag zich ook beschermen tegen desintegratie als het ten onrechte beschuldigd wordt, bijvoorbeeld van haat. Dat geldt voor alle partijen. Het geldt ook collectief: onderdrukte volken mogen een hekel hebben aan hun onderdrukkers (of dit “haat” mag zijn in alle consequenties is een andere vraag). En als de staat alle blanken collectief beschuldigt van rassenhaat (en zegt: bewijs maar dat dat niet zo is) hebben deze het recht (en de plicht) om te protesteren en zich te verweren.