Het onverantwoord gebruik van het begrip haat in de wet

Wanneer men iemands handelen verklaart uit gevoelens van haat is dat een moreel zware beschuldiging. We zouden dan ook van wetgevers mogen verwachten mogen verwachten dat zij dit niet lichtvaardig doen, nog afgezien van de vraag of het zich richten op motieven in plaats van op uiterlijk constateerbare daden wel in de wet thuishoort. Het zijn vooral de volgende twee punten waarbij de wet lichtvaardig, om niet te zeggen onverantwoord, van het begrip haat gebruik maakt.

 

1. De wet gebruikt het begrip haat, maar geeft daarvan geen definitie
Hoewel de ICERD zich bij het strafbaar stellen van rassendiscriminatie terecht primair richt op discriminatie als uiterlijk constateerbare handeling, gaat hij toch ook in op de mogelijke motivatie daarvan, zoals rassuperioriteit of rassenhaat. Door zich pas secundair te richten op deze motivatie meende dit verdrag kennelijk deze niet nader te behoeven definiëren. Artikel 137 Sr volgt de ICERD hierin na. Maar toch rijst de vraag: waarom gebruikt de ICERD hier niet een meer neutrale term als “afkeer”? Waarom de beschuldigende en ophitsende term “haat”? Het antwoord is dat deze term stamt uit het zwaargeladen, emotionele klimaat van het tijdperk van dekolonisatie waarin de ICERD werd opgesteld. Toen was de term “rassenhaat” op ieders lippen en leek het vanzelfsprekend dat die in de ICERD moest worden opgenomen. Maar achteraf gezien werd hiermee een verwarrend, psychologisch onzuiver denkklimaat geïntroduceerd.

 

2. De ICERD stelt ten onrechte dat apartheidspolitiek enz. (mede) voortkomen uit rassenhaat
Strikt genomen kan men verdedigen dat de ICERD niet werkelijk stelt dat apartheidspolitiek (en in samenhang daarmee rassendiscriminatie) het gevolg zijn van rassenhaat, althans mede van rassenhaat. Zo spreekt de inleiding van de ICERD van “.. het beleid van sommige regeringen dat is gebaseerd op superioriteit van ras of op rassenhaat …” en dat houdt in dat men de mogelijkheid openhoudt dat dit beleid alleen voortkomt uit rassuperioriteit en niet uit rassenhaat. Maar dan rijst de vraag waarom men hier rassenhaat ten tonele voert, het betoog was ook logisch sluitend geweest als men het had weggelaten. Is hier geen sprake van juridische slimmigheid: wel rassenhaat noemen, maar zó dat je daar niet op kunt worden vastgepind? Ook in de artikelen 4 en 4(a) komt het begrip rassenhaat ter sprake. Dit versterkt de indruk dat de auteurs rassenhaat wel degelijk als een (mede)oorzaak beschouwden.
          Wanneer men kijkt naar de wijze waarop de ICERD werd geïmplementeerd in artikel 137 Sr ziet men dat dit zonder meer uitgaat van de belangrijke rol van rassenhaat bij rassendiscriminatie. In dit artikel staat namelijk de problematiek van haat en aanzetten tot haat centraal. En hier ligt ook de bron van de later in Nederland eindeloos gevoerde discussies over aanzetten tot haat (in plaats van over feitelijk aantoonbare discriminatie). Hierbij doet zich trouwens ook een merkwaardige cirkelredering voor. Primair gaat de wet uit van strafbaarstelling van feitelijk aantoonbare discriminatie. Daarna wordt de aandacht gevestigd op aanzetten tot haat en tot rassendiscriminatie. En bij de beoordeling van dat “aanzetten” kijkt men toch weer of dit leidt tot feitelijke discriminatie.