Het ongedifferentieerde gebruik van het begrip haat in de wet

Als men nadenkt over de vele betekenissen van het woord “haat” kan men niet anders dan constateren dat de wet dit woord wel erg ongedifferentieerd gebruikt. Laten we hiervoor eerst kijken naar het grondleggende Internationaal Verdrag tegen rassendiscriminatie van 1965/72. Hierin staat te lezen:

“Verontrust [..] door het beleid van sommige regeringen dat is gebaseerd op superioriteit van ras of op rassenhaat, zoals de apartheidspolitiek of een andere politiek van rassenscheiding, ……”.

In deze zin wordt geponeerd dat apartheidspolitiek en rassensegregatie veroorzaakt worden door superioriteit van ras of op rassenhaat. Maar is dit juist? Laten we om deze vraag te beantwoorden deze bewering in tweeën splitsen.

(1) Worden apartheidspolitiek en rassensegregatie veroorzaakt door rassenhaat? Toen bijvoorbeeld de blanken in de 19e eeuw Afrika exploreerden konden zij niet anders dan de hier aanwezige culturen inschatten als  zijnde van een laag niveau (geen gevorderde natuurwetenschap, geen gevorderde medische wetenschap, enzovoort). Dit had niets te maken met haat. De blanken konden toen twee dingen doen: óf deze mensen ongemoeid laten, óf proberen hun cultuur op een hoger niveau te brengen. Ze kozen voor het laatste. Maar dat betekende onvermijdelijk dat ze ook de baas gingen spelen. Er ontstond machtsongelijkheid. Maar deze kwam niet voort uit haat.

(2) Worden apartheidspolitiek en rassensegregatie veroorzaakt door  [gevoelens van] rassuperioriteit? Het is aannemelijk dat  gevoelens van culturele superioriteit hier wel degelijk een rol speelden.

……… Wel kan men hier misschien spreken van een zekere minachting en van blanke superioriteitsgevoelens (die vrijwel onvermijdbaar waren). In een dergelijke situatie is het begrijpelijk dat de hogere cultuur zich wil beschermen tegen opname van als primitief beschouwde elementen van de lagere cultuur, want dat zou een culturele terugval betekenen. Pogingen daartoe waren de invoering van apartheidspolitiek en van segregatie. Dit was echter om vele redenen geen bevredigende oplossing. Dat wil echter niet zeggen dat apartheidspolitiek en segregatie waren gebaseerd op haat.

Waar komt het gebruik van de term “haat” in het verdrag van 1965/72 vandaan? We kunnen hier twee bronnen noemen. In de eerste plaats staat het buiten kijf dat een onderdrukt volk zijn onderdrukkers gaat “haten”. Nietzsche heeft in zijn psychologisch diepgravende theorie dit type haat “ressentiment” genoemd. Van belang is dat in een dergelijke situatie van ongelijkheid de haat uitsluitend ontstaat aan de zijde van de onderdrukten, dus niet aan de zijde van de onderdrukkers. Vergelijk bijvoorbeeld de relatie tussen Nederland en “Nederlands Oost-Indië” in de tijd van de dekolonisatie. De Indonesiërs haatten de Nederlanders, die zij zagen als hun onderdrukkers. Maar de Nederlanders haatten de Indonesiërs helemaal niet. Waarom zouden ze. Althans zolang er geen oorlog uitbrak.

Hier komen we aan een tweede bron van haat. De naoorlogse tijd was een tijd van dekolonisatieoorlogen. Bij een dergelijke strijd ontstaan zulke heftige gevoelens van afkeer tussen de strijdende partijen dat men die wel met de term “haat” mag aanduiden. Hier ontstaat de haat aan beide zijden.

In het verlengde van de dekolonisatie lag de strijd tegen apartheid en tegen rassensegregatie in de jaren ’60 en ’70. Hier kwam de “haat” weer overwegend van de zijde van onderdrukten (hiermee wil niet gezegd worden dat deze “haat” moreel verwerpelijk was). Samengevat betekent dit dat de bewering dat de discriminatie voortkwam uit haat van de zijde van de blanken in zijn algemeenheid onjuist was. Een apart geval was natuurlijk wel de haat jegens de Joden in Nazi-Duitsland. Maar dat is dan ook een apart geval.

Waarom spreekt men dan toch in internationaal verband van “haat” als oorzaak van discriminatie? Waar komt deze activistische, ophitsende en generaliserende term vandaan? Het ziet er naar uit dat het gebruik van deze term alleen verklaard kan worden uit het emotionele klimaat van de jaren ’60 en ’70. In een strijd gebruikt men slogans en overdrijvingen en let men niet op nuances. Een strijd is primitief en direct. In zo’n strijd gaat men het begrip haat niet analyseren en onderscheiden in categorieën. En dit primitieve gebruik van het begrip “(rassen)haat” kwam vanuit de discussies op straat, in de kroeg, in de pers, in de actiegroepen en in de partijbijeenkomsten rechtstreeks en ongewijzigd terecht in de wetgeving.

Waarschijnlijk moet men hier ook de verklaring zoeken voor de merkwaardige constructie dat haat niet strafbaar wordt gesteld, maar aanzetten tot haat wel. Cliteur (2016) schrijft: “Aanzetten tot haat is strafbaar. Haten staat dus vrij” (1). Het is aannemelijk dat dit niet strafbaar stellen van haten gebaseerd op de vrijheid van expressie, maar Is deze constructie niet logisch inconsistent? Is iemand die een gloedvolle en overtuigende toespraak houdt waarin hij zijn afkeer van Amerikanen, Chinezen of Laplanders uiteenzet strafbaar? Of moet hij dat zo onbeholpen doen dat niemand hem begrijpt? Of in zulke abstracte bewoordingen dat alleen filosofen die gespecialiseerd zijn in Kant hem kunnen volgen?  Is de bepaling over het aanzetten tot haat vergelijkbaar met een bepaling die het hebben van een auto niet strafbaar stelt, maar het aanzetten tot het hebben van een auto wel?  Of is hier sprake van, zoals zo vaak in het recht, dat hier twee grondwaarden in een spanningsveld staan en dat men hiertussen evenwichtig moet oordelen? Een heel aannemelijk verklaring is ook dat men bij de emoties van de jaren ’60 en ’70 zo’n hekel had gekregen aan schelden, stoken, opjutten, demagogie en haatzaaien dat men bij de verhitte discussies in de Verengde Naties over de wetgeving dit probleem over het hoofd heeft gezien.

Nu zou men kunnen menen dat deze filosofische en psychologische beschouwing over het gebruik van het begrip (rassen)haat in de wet in de praktijk van geen belang zou zijn. Maar het tegendeel is waar. Dit begrip zaait verwarring en schept ook 50 jaar later nog een emotioneel klimaat dat het moeilijk maakt evenwichtig te denken en te oordelen.

(1) P. Cliteur (2016): Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders, Juridische vervolging van religiekritiek en vreemdelingenvrees.