Haat in het Oude Testament

In 734 en 721 v.C. werd het in het noorden van Palestina gelegen Tienstammenrijk van het volk Israël gedeporteerd naar Assyrië en verdween uit de geschiedenis. In 598 en 587 werd het overblijvende Tweestammenrijk (voornamelijk Juda) grotendeels gedeporteerd naar Babylon. Daar ontwikkelden de Joden (verbastering van Judeeërs) een grote literaire activiteit en verzamelden de geschriften die nu het Oude Testament vormen. Over de historische juistheid daarvan zijn de geleerden het niet eens. Sommigen menen dat de auteurs zich dicht hielden aan de feitelijke waarheid (voor zo ver nog te reconstrueren), anderen menen dat ze hierbij, vanuit hun ondergeschikte positie als ballingen, de behoefte gevoelden de geschiedenis van hun volk te voorzien van een groots en heroïsch verleden. Hoe dit zij, zij waren weinig terughoudend bij hun beschrijvingen van veroveringen, strijd en wreedheden. En ook niet bij die van bijbehorende emoties zoals wraakzucht en haat.
            De woorden liefde en haat komen in het Oude Testament veel voor, vaak in combinatie met elkaar. Opvallend is daarbij hoe ongenuanceerd deze woorden worden gebruikt, vooral het woord “haat”. Men kan er over speculeren in hoeverre dat wordt veroorzaakt door een nog primitief stadium van de taal en door een mythologiserende trek in het Bijbelse spraakgebruik. Vertaalproblemen spelen natuurlijk ook een rol.
            Men kan de teksten waarin het woord “haat” voorkomt verdelen in drie categorieën: (1) teksten waarin dit woord in religieuze betekenis wordt gebruikt, (2) teksten waarin het in menselijke betekenis wordt gebruikt en (3) waarin het in gemengde betekenis wordt gebruikt.
(1) In religieuze betekenis
Het gaat hier om (a) haat van God en haat van mensen tegen God en (b) haat van mensen tegen mensen die God haten of die aanhangers zijn van afgoden (dat zijn met Jahwe rivaliserende goden). Voorbeelden:
  • Deuteronomium 12:31 (NBG 1951): … want al wat den Here een gruwel is, wat Hij haat, doen zij voor hun goden; zelfs hun zonen en dochters verbranden zij voor hun goden met vuur.
  • Maleachi 1:3 (NBG 1951): Toch heb ik Jakob liefgehad, maar Ezau heb ik gehaat.
  • Exodus 20:5 (NBG 1951): Want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten.
  • Psalm 139:21 (NBV): Zou ik niet haten die u haten, Heer, niet verachten wie tegen u opstaan? Ik haat hen, zo fel als ik haten kan, ze zijn mijn vijand geworden.
(2) In menselijke betekenis
Voorbeelden:
  • Leviticus 19:17 (NBG 1951): Gij zult uw broeder in uw hart niet haten. [..] Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de Here.
  • Deuteronomium 22:13 (Statenvertaling): Wanneer een man een vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, alsdan haar zal haten. DNB: Een man trouwt een vrouw, slaapt met haar en krijgt dan een afkeer van haar.
  • Prediker 3:8 (DNB): Er is een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten.
(3) In gemengde betekenis
Het gaat hier om de gevallen waarin religieuze haat en menselijke haat tegen verkeerd gedrag moeilijk zijn te scheiden. Zo hadden de Israëlieten haat tegen de god Moloch. Men kan die typeren als religieuze haat. Maar Moloch was de god van de kinderoffers, die door de Israëliërs werden verafschuwd. Als men dat aspect centraal neem kan men de haat tegen Moloch typeren als menselijke haat. Vergelijkbaar was de haat tegen Astarte (en vergelijkbare godinnen). Hadden de Israëlieten religieuze haat tegen Astarte omdat dit een met Jahwe concurrerende godheid (dus afgod) was of hadden zij menselijke haat tegen haar omdat zij seksuele opvattingen vertegenwoordigde die niet strookte met de Israëlische moraal (zoals gewijde prostitutie)?
            Er komen naar mijn weten in het Oude Testament geen teksten voor waarin de afkeer van afgoden met “haat” wordt aangeduid. Maar deze afkeer is van dezelfde orde als “haat” en moet in een psychologische beschouwing worden meegenomen. Voorbeelden:
  • Leviticus 20:2 (NBG 1951): Iedere Israëliet en iedere vreemdeling, die in Israël vertoeft, die van zijn kinderen aan den Moloch geeft, zal zeker ter dood gebracht worden.
  • Deuteronomium 29:17 (NBG 1951): Gij hebt de gruwelen en afgoden gezien, die men bij hen vindt: hout en steen, zilver en goud.
  • 1 Koningen 11:5 (NBG 1951): Zo liep Salamo Astarte, de godin der Sidoniërs, achterna [..] en Salomo deed wat kwaad was in de ogen des Heren. NBV: Salomo zocht zijn heil bij Astarte.
Opmerkingen:
De NBG 1951 is de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap van 1951
De NBV is de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004.
Een uitstekend, toegankelijk artikel over de vertaling van het woord “haat” is:  https://www.bijbelgenootschap.nl/misc/maw/MAW_2013-1.pdf
6 juni 2020