Haat in het Nieuwe Testament

In het oude deel van het Oude Testament wordt ongecompliceerd over haat gesproken. Jahwe is de enige juiste god, de andere goden zijn afgoden, die mogen (en moeten) worden gehaat. Israël is het uitverkoren volk, andere volken mogen (en moeten) worden gehaat, want het zijn dienaars van die afgoden. Je mag niet wraakzuchtig en haatdragend zijn, maar dat geldt alleen voor de “kinderen van uw volk” (Leviticus 19:17). Ook het gebod tot naastenliefde geldt alleen voor leden van het eigen volk, daarbuiten niet. Alleen voor de “vreemdeling die in uw poorten is” lijkt enige uitzondering te worden gemaakt. Maar hij moet zich wel volledig aanpassen: als hij een andere god gaat dienen wordt hij ter dood gebracht (Leviticus 20:2).
                Met de Babylonische ballingschap begint een nieuwe periode. De Joden beschouwen deze als een ramp, maar het was ook een leerschool, zij het een harde. Ze waren nu gedwongen in nauw contact met andersdenkenden te leven. Van nationale ambities konden ze alleen nog maar dromen (wat ze ook uitgebreid deden).
                In het Nieuwe Testament is dit overzichtelijke, nationalistische wereldbeeld geheel verdwenen (het was inmiddels ook duizend jaar later). Vooral het begrip haat wordt geproblematiseerd. De twee bekendste teksten hierover zijn:
  • Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht”. En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hem “Nietsnut!” zegt zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan (Mattheüs 5:21-22).
  • Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten”. En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen (Mattheüs 5:43-45).
In deze teksten gebeuren twee dingen. In de eerste plaats wordt het gebod om niet te doden uitgebreid en verinnerlijkt. Vroeger was de daad van moord strafbaar door het gerecht, nu wordt ook het in woede tekeergaan tegen iemand strafbaar door het gerecht. Van belang is dat hier het in woede tekeergaan wordt gezien als dezelfde soort misdaad als moord, alleen in verzwakte vorm. In woede tekeergaan is een klein beetje moord. Tegelijkertijd wordt het gebod ook verinnerlijkt. Moord en in woede tekeergaan komen voor het openbare (Romeinse?) gerecht. Wie “Nietsnut!” zegt komt voor het religieuze gerecht. Wie “Dwaas!” zegt komt voor het eeuwige gerecht.
                In de tweede plaats wordt de liefde tot de leden van de eigen, vertrouwde groep uitgebreid tot de mensen buiten de groep, zelfs tot de vijanden. De tekst lijkt (mede gezien de context) tamelijk persoonlijk te zijn geformuleerd: het gaat in de eerste plaats om de eigen vriendenkring en de persoonlijke vijanden. Maar het is aannemelijk dat deze tekst geëxtrapoleerd mag worden naar volken en internationale verhoudingen.
                Deze teksten zetten een mens op indringende wijze aan het denken over het oeroude probleem van liefde en haat. Iedere liefde tot een mens of een zaak is onlosmakelijk gekoppeld aan haat tegen alles wat die mens of die zaak schade doet. Maar haat mag niet! Hoe moet dat probleem worden opgelost? Is de haat die voortkomt uit de koppeling aan liefde misschien geen echte “haat” en moeten we daar een ander woord voor zoeken? Of is het misschien vaak wel echte haat, maar moeten we leren die om te buigen tot iets dat wél mag, in de geest van “God heeft de zondaar lief, maar haat de zonde”?
                Het is voor velen een prangend (maar zelden uitgesproken) probleem of Jezus zich zelf gehouden heeft aan zijn eigen voorschriften. Hij schold de Farizeeën en Schriftgeleerden (althans een deel daarvan) uit voor “adderengebroed” en “huichelaars” (zie Mattheüs 12 en 23). Hiermee gaf hij een aanzet tot later antisemitisme. Het ziet er naar uit dat hij het oeroude probleem van de haat, dat hij zo indringend aan de orde stelde, zelf niet heeft kunnen oplossen. Men kan er over speculeren dat hij zich daarvoor zeer schuldig voelde en daarvoor straf verwachtte en zijn leven inrichtte om die te ondergaan. Maar dat is een ander verhaal.
                Tenslotte dringt zich nog een praktische vraag op. Het is duidelijk dat Jezus met zijn uitspraken een aanvulling wilde geven op (en eventueel een modificatie van) de Tien Geboden. Dit leidt tot de vraag of ze in de moderne maatschappij ook opgenomen zouden kunnen worden in de wetgeving, als een soort verfijning. Mijn persoonlijke antwoord is dat ze daarvoor niet geschikt zijn en ook niet bedoeld. De wet moet zich beperken tot uiterlijke, constateerbare feiten. De motivatie van een mens is een zaak tussen hem en zijn Schepper.

7 juni 2020