Een definitie van haat

Het begrip haat is een containerbegrip, heel in het algemeen zou men het kunnen definiëren als een negatieve emotie of motivatie die gericht is op een uitwendig object. Er bestaat een grote verscheidenheid aan dergelijke emoties of motivaties en als men die aanduidt met het woord “haat” bedoelt men daarmee meestal dat de betreffende negatieve emotie of motivatie heel sterk, heel intens is. Zo kan iemand die een hekel heeft aan groente dat overdreven tot uitdrukking brengen door te zeggen: “Ik háát groente”.
            De negatieve emoties of motivaties die men “haat” kan noemen kunnen van elkaar verschillen door hun intrinsieke eigenschappen, maar ook doordat ze gericht zijn op van elkaar verschillende uitwendige objecten. Aan de hand van dit laatste kan men een vijftal categorieën van haat onderscheiden:
  1. Haat met een vaag object. Hiervan is sprake als iemand zegt: “Ik haat het om gestoord te worden”, of als een politierechercheur zegt: “Ik haat toevalligheden”.
  2. Haat tegen een abstracte zaak: communisme, kapitalisme, religie, het “systeem”, enzovoort. Hierbij wil men de gehate zaak vernietigen, maar die vernietiging is geen doden. Hij heeft in eerste instantie te maken met de wens dat structuren veranderen of dat mensen van mening veranderen. Haat tegen “politiek links” of “politiek rechts” valt in zekere zin ook in deze categorie. Maar men zou die ook kunnen rekenen tot de volgende categorie.
  3. Haat jegens een groep mensen. Toen de mensen nog in stamverband leefden was haat jegens andere stammen vrij normaal. In de huidige tijd kent iedere groep die als groep duidelijk kan worden geïdentificeerd wel haters: gereformeerden, rijken, islamieten, Joden, blanken, Marokkanen, grachtengordelbewoners, kickboksers, enzovoort.
  4. Haat jegens een individuele persoon. Dit is de belangrijkste en moreel meest problematische categorie. Meer nog dan bij de andere categorieën speelt hier de gradatie een rol. De gehate persoon hindert ons. die hindernis willen wij verwijderen. Maar willen we hem of haar ook beschadigen of vernietigen? Want voor personen geldt het gebod: “Gij zult niet doden”. Hier ontstaat een gewetensconflict. Naast de persoon die ons hindert is er nu ook ons eigen gewetensconflict dat ons hindert. We tobben er over of we verplicht zijn hem of haar te vergeven.
  5. Haat jegens bijvoorbeeld een persoon of groep,  maar dan in de speciale betekenis van vergeldingsdrang. Hoewel het woord “haat” vaak in deze betekenis wordt gebruikt is hier toch sprake van een aparte categorie.  Enigszins paradoxaal uitgedrukt: deze vorm van haat is eigenlijk helemaal geen haat. Wanneer iemand zich jegens ons heeft misdragen willen we hem straffen, pijn doen. Die vergeldingsdrang heeft een tijdelijk karakter. Als de betreffende persoon zijn pak slaag heeft gehad zijn we bevredigd en is de vergeldingsdrang verdwenen. Het komt ook vaak voor dat we vergeldingsdrang voelen jegens iemand die we liefhebben. Dan moet die persoon eerst worden bestraft, daarna kunnen we verdergaan met liefhebben. Als het goed is willen we hier wel pijn doen, maar niet blijvend beschadigen.
Voor al deze categorieën geldt dat de haat passief of meer actief kan zijn. Bij passieve haat ervaart de betreffende persoon een gevoel van haat, maar doet er verder niets mee. Bij actieve haat wil hij de betreffende persoon of zaak aanpakken of misschien zelfs vernietigen.
               Een andere belangrijke variabele is de mate waarin onze haat ons bindt aan het gehate object. Deze binding kan zo sterk worden dat hij ons gaat schaden. Zo sprak Freud terecht van een “negatieve vaderbinding”. Deze binding kan zelfs een obsessie worden. Dit is het centrale thema in de roman “In de ban van de tegenstander” (2009) van Hans Keilson.
8 juni 2020