De asymmetrie in het IVUR-verdrag tegen rassendiscriminatie van 1966

De wetgeving tegen discriminatie is ontstaan in een zeer specifieke historische context, namelijk in de tijd na de Tweede Wereldoorlog. In die tijd werden de gedachten in beslag genomen door de overwinning op nazi-Duitsland, de herinnering aan de Jodenvervolging en de holocaust, het oorlogstribunaal in Neurenberg, de dekolonisatie, de apartheid in Afrika, de burgerrechtenbeweging in Amerika en de strijd tegen onderdrukking van “minderheidsgroepen”, waartoe dan (al of niet terecht) gerekend werden: de homoseksuelen, de vrouwen, de zwarten en de immigranten.

Bij al deze emancipatiebewegingen moesten er steeds wetten gemaakt worden die een als onderdrukt beschouwde groep moesten beschermen tegen een als oppermachtig en onaantastbaar beschouwde groep, zeg maar de groep van Europese, blanke, mannelijke overheersers. In die tijd was het absurd om zelfs maar het dénkbeeld te hebben dat deze oppermachtige en onaantastbare groep óók beschermd zou moeten worden.  Dat was even absurd als het denkbeeld dat de Duitsers beschermd zouden moeten worden tegen de Joden in de concentratiekampen,  of de blanken tegen de zwarten, of de mannen tegen de vrouwen. Of de kat tegen de muis. Het gevolg was dat er asymmetrische beschermingswetten ontstonden. 

De belangrijkste wetgevende tekst uit deze tijd is het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning  van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR, 1966/72). Men ziet de asymmetrie in dit verdrag misschien het duidelijkst in het feit dat hierin rassendiscriminatie nauw wordt gekoppeld aan dekolonisatie: “Overwegende dat de Verenigde Naties het kolonialisme en alle daarmee samengaande praktijken van rassenscheiding en rassendiscriminatie hebben veroordeeld ….” Hier wordt dus rassendiscriminatie gekoppeld aan dekolonisatie en dekolonisatie is een fundamenteel asymmetrisch proces. Bij dit proces wordt de beschuldiging van fout handelen (overheersen) uitsluitend gericht tot één partij. Samenhangend hiermee werd ook het verwijt van rassendiscriminatie uitsluitend gericht tot één partij: de blanken (of in bredere zin: Europa).

Misschien was dat op dat moment geheel of gedeeltelijk terecht. Maar er is een probleem, laat ik dat toelichten met een voorbeeld. In een bepaalde situatie kan het zinvol zijn om een eenzijdige wet te maken dat ouders hun kinderen niet mogen slaan. Maar die kinderen groeien op en langzamerhand komt er een  situatie waarin er wél een wet is die zegt dat ouders hun kinderen niet mogen slaan, maar waarin er géén wet is die zegt dat kinderen hun ouders niet mogen slaan. In die situatie kunnen ouders zich dan op geen enkele wet beroepen, want die is er niet.

Het IVUR werd in de Nederlandse wet geïmplementeerd in de periode 1968-71, onder andere door wijziging van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel gaat over groepsbelediging en aanzetten tot haat jegens een groep. Het woord “groep” heeft hier een speciale betekenis, het gaat om groepen waar men niet voor kiest, maar waar men min of meer erfelijk automatisch toe behoort (“ras”, nationale afstamming, Joden, homoseksuelen, enzovoort).  Bovendien gaat het om groepen die in een minderheidspositie verkeren en waarvan wordt verondersteld dat zij zich niet goed kunnen verdedigen en dus beschermd moeten worden. Dit onderwerp komt in de toelichtingen bij de wetswijziging van 1968-71 uitdrukkelijk ter sprake, bijvoorbeeld: “Het is van belang te bedenken dat lang niet alle groepen in de samenleving bescherming behoeven. In elk geval is er voor die bescherming minder aanleiding naarmate de groep minder kwetsbaar is of zelf over verweermiddelen beschikt ” (x).  Ook hier zien we fundamenteel asymmetrische wetgeving. Maar de tijden veranderen. In Rotterdam bijvoorbeeld bestaat momenteel de meerderheid van de bevolking uit “buitenlanders”.  Moet deze nog  steeds  asymmetrische wettelijke bescherming genieten? Zou het niet beter zijn als de wet alle groepen gelijk behandelt, ongeacht of ze wel op niet goed voor hun eigen belangen kunnen opkomen? 

Hier komt nog een belangrijk punt bij. De wetgeving van het IVUR en artikel 137 Sr ziten  zó in elkaar dat het daardoor voor blanke Europeanen vrijwel onmogelijk is om hun eigen cultuur te verdedigen.  De oorzaak hiervan is het feit dat door de loop van de geschiedenis het blank-zijn en het behoren tot de hoogontwikkelde Europese cultuur aan elkaar zijn gekoppeld. Hierdoor is iedere blanke die zijn hoge cultuur wil verdedigen kwetsbaar voor de beschuldiging dat het hem niet gaat om die cultuur, maar dat hij wordt gemotiveerd door vermeende rassuperioriteit. Bij een normale, moreel verantwoorde gang van zaken zou dat niet zo erg zijn, want dan zou de beschuldiger hiervan het bewijs moeten leveren. Maar van een dergelijke normale gang van zaken is momenteel geen sprake. Uit de praktijk blijkt dat het binnen het huidige politieke klimaat heel gemakkelijk is om iemand van racisme (extreemrechts, enz.) te beschuldigen en dat die dan de (vanwege genoemde koppeling) onmogelijke taak krijgt zich hiertegen te verweren.  Omkering van de bewijslast dus. 

Een voorbeeld van genoemde asymmetrie is de wijze waarop tegenwoordig gesproken wordt over vreemdelingenhaat. Dit schimmige begrip wordt in de Nederlandse wet niet duidelijk omschreven, soms wordt het gelijkgesteld aan xenofobie, maar soms ook niet. In juni 2019 kwam het weer ter sprake in verband met een rapport van de ECRI, een commissie die “tot doel heeft het bestrijden van racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme en intolerantie”. Bij het publieke debat over migratie en immigratie ziet men steeds weer dat er wél gesproken wordt over vreemdelingenhaat, maar niet over het in dit verband tegengestelde begrip autochtonenhaat.

Deze asymmetrie is op vele andere gebieden terug te vinden. Op Twitter komt een eindeloze stroom van klachten hierover langs, bijvoorbeeld in de vorm van de vraag waarom wel de term “nikker” wordt afgekeurd, maar niet de even denigrerende term “witten”. Nu kan men wel zeggen dat Twitter bevooroordeeld is omdat ieder leeft in zijn eigen bubbel, maar het zijn wel moeilijk te ontkennen, concrete voorbeelden. 

Een geheel andere vorm van asymmetrie is te vinden tussen de landen die het IVUR hebben ondertekend. Sommige landen houden zich namelijk wel aan de antidiscriminatiewetten en andere niet. Nu zou men kunnen zeggen dat dat er niet toe doet, want er geldt dat als Nederland zich aan bepaalde bepaalde wetten houdt, dat onafhankelijk is van de vraag of andere landen zich daar misschien niet aan houden. Maar dat argument geldt hier niet. Zo hebben bijvoorbeeld zowel Marokko als Nederland het verdrag tegen rassendiscriminatie van 1966/72 geratificeerd (in 1970 respectievelijk 1971). Beide landen hebben zich dus op gelijke wijze gebonden aan dit verdrag en binnen dat kader moeten beide landen zich op gelijke wijze aan de gemaakte afspraken houden. Maar in Nederland worden (mede door de druk van de EU) wél antidiscriminatie-processen gevoerd tegen blanken, maar in Marokko (en elders) staan daar geen gelijksoortige processen tegen niet-blanken tegenover. In Nederland mogen  moslims wel vrijuit moskeeën bouwen, maar als blanke christenen kerken willen bouwen in Marokko wordt het ze zeer moeilijk gemaakt. Tekenend is ook dat Marokko veel toleranter tegenover elders uit Afrika afkomstige christenen staat dan tegenover blanke christenen (2). Deze asymmetrie is misschien niet letterlijk in wetten vastgelegd, maar hij wordt in de praktijk wel door de rechterlijke macht kritiekloos aanvaard. Je zult een Nederlandse rechter nooit horen zeggen: ik weiger deze wet nog langer toe te passen wanneer hij in (bijvoorbeeld) Marokko niet ook wordt toegepast want je doet de verdachte daarmee onrecht. 

Deze asymmetrie is structureel, daarom mag men stellen dat een Nederlander binnen het kader van dit verdrag automatisch wordt gediscrimineerd. De geldende wetten en de uitvoeringspraktijk zijn in zichzelf discriminerend, ook in het geval dat de rechtspraak door het OM en de rechters “naar eer en geweten” wordt uitgevoerd. Een Nederlander wordt voor hetzelfde vergrijp strenger aangepakt dan een Marokkaan. In een groot deel van de circa 180 landen die zich inmiddels bij het verdrag van 1965/72 hebben aangesloten wordt discriminatie enkel gezien als discriminatie van blanken tegenover niet-blanken. Deze landen hadden er destijds geen moeite mee het verdrag te ondertekenen, want zij hadden voor hun gevoel zelf geen reden tot gedragsverandering.

(1) Kamerstukken 9724 nr. 6: Memorie van antwoord.  https://repository.overheid.nl/frbr/sgd/19691970/0000230066/1/pdf/SGD_19691970_0002426.pdf

(2) https://zendingsraad.nl/actueel/220/bloeiende-kerk-in-marokko