Freud: de Wet als bron van agressie

Freud stamde uit een joodse familie en kende van dichtbij het joodse feest “Vreugde der Wet”. Met dit feest uiten de joden hun dankbaarheid voor de door God gegeven Thora, de richtlijn die het leven mogelijk maakt. Maar velen ervaren dezelfde Wet als een juk, en dan niet als een juk dat dient bij het verrichten van nuttige arbeid, maar als een juk dat zware lasten oplegt en onderdrukt. Freud hield zich erg bezig met dit wat hij noemde “sadistische” aspect van de moraal.

Gedurende vele jaren werkte Freud aan een bruikbaar model van de menselijke psyche. Tot omstreeks 1914 maakte hij onderscheid tussen enerzijds seksuele driften en anderzijds “Selbsterhaltungstriebe”, die zetelden in het “ik”.  Maar in 1920 schreef hij, mede naar aanleiding van de “Kriegsneurosen” uit de eerste wereldoorlog, dat er in de psyche ook “raadselachtige masochistische tendensen” huizen (G.W. XIII, 11). Dit bracht hem er toe de tegenstelling tussen ik driften en seksuele driften te vervangen door een dieper gelegen antagonisme tussen levensdrift en doodsdrift.  Samenhangend hiermee kwam hij in 1923 tot zijn bekende driedeling van de psyche (XIII, 252). In 1933 gaf hij hiervoor de volgende schets (XV, 85):

Hierin is het “Es” het driftleven en het “Über-Ich” (Engels: superego) zoiets als de manifestatie van de Wet in de psyche. Het geweten (niet in zijn schets weergegeven) definieerde Freud als de instantie die controleert of het ik wel voldoet aan het ideaal dat het Über-Ich stelt.

Volgens Freud is het Über-Ich noorzakelijk voor het leven (XIV. 419 e.v.),  maar heeft het een star en wreed karakter. Als psychiater was hij in aanraking gekomen met patiënten die leden onder de kwelling van hun geweten en naar aanleiding hiervan schreef hij:

“Naar onze opvatting van het sadisme zouden we willen zeggen dat de destructieve component zich heeft afgezet in het Über-Ich en zich tegen het ik heeft gekeerd. Wat nu in het Über-Ich heerst is zoiets als een reincultuur van de doodsdrift” (XIII, 283).

Freud maakte vaak gebruik van mythische beelden en mythische taal. Dat geldt ook voor zijn theorie van de levensdrift en de doodsdrift. Deze theorie heeft een dualistisch karakter (XIII, 57), in die zin dat het veronderstelde antagonisme tussen de levensdrift en de doodsdrift teruggaat op twee onherleidbare, fundamenteel tegengestelde grondprincipes. En deze doen natuurlijk denken aan de oeroude tegenstelling tussen goed en kwaad.

Volgens mij is het mogelijk de waardevolle aspecten van Freuds theorie over het Über-Ich en de wreedheid daarvan beter toegankelijk te maken door deze theorie los te maken van zijn mythische en speculatieve karakter en gebruik te maken van het begrip duale motivatie. Dit doet recht aan het tweeledige karakter van de betreffende motivatie, maar het is niet de bedoeling dat dit karakter wordt gezien tegen de achtergrond van een metafysische oertegenstelling. Dan kan men in nuchtere bewoordingen zeggen dat het Über-Ich er naar streeft het leven te ordenen en te reguleren, maar dat dit een haast onlosmakelijk daarmee verbonden keerzijde heeft van agressie tegen overtreders van de regels (en de hoge idealen) en de behoefte deze te straffen

Een voorbeeld van een dergelijke duale motivatie is te zien bij de tegenwoordig zo bekende “social justice warriors”, mensen die enerzijds voortdurend bezig zijn met goed-doen (of het propageren van goed-doen) en anderzijds voortdurend te keer gaan tegen degenen die niet aan hun eisen voldoen. Bij deze mensen is het steeds moeilijk om uit te maken welke van de twee aspecten het zwaarst weegt. Bij sommigen lijkt het aspect van oprecht goed willen doen de overhand te hebben (zij zullen geen plezier hebben in het hiermee haast onlosmakelijk verbonden aspect van kwetsen en straffen). Maar anderen vullen hun leven zózeer met overal onrecht opsporen en dat aan de kaak stellen dat het lijkt dat het aspect van het willen kwetsen en straffen bij hen de overhand heeft.