De koppeling van creatie en destructie

Hoezeer de motivatie tot creatie en de motivatie tot destructie samenhangen (zodat ze samen een voorbeeld van “duale motivatie” vormen) kan misschien het beste worden geschetst met een historische inleiding.

            In 1798 schreef de Schotse predikant een zorglijk boek waarin hij stelde dat de toename van het aantal mensen snel verloopt (“als een meetkundige reeks”) en de toename van de productie van voedsel langzaam (“als een rekenkundige reeks”). Zonder ingrijpende maatregelen was hongersnood dus onvermijdelijk. Deze deprimerende visie kreeg echter een nieuwe wending toen de liberale denker Herber Spencer in twee beroemd geworden artikelen van 1852 en 1856 betoogde dat de bevolkingsdruk weliswaar de oorzaak is van grote sterfte, maar tegelijkertijd ook van vooruitgang. Het sterven van de individuen staat dus in dienst van een hoger doel.

            Hierop voortbouwend publiceerde Darwin in 1849 zijn evolutietheorie met de drie elementen variatie, natuurlijke selectie en “struggle for life and survival of the fittest”. Dit laatste element wordt door de huidige biologen gewoonlijk heel vriendelijk en neutraal uitgelegd als “aanpassing”, maar in de tijd van Darwin was daarin de gedachte van strijd en van “overwinning van de sterkste en de slimste” veel sterker aanwezig. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan het beeld van de strijd tussen twee mannetjesherten om één vrouwtje, die tot gevolg heeft dat de overwinnaar zich kan voortplanten.

            Dit nadruk op dit aspect van strijd leidde in de tweede helft van de 19e eeuw tot het ontstaan van het sociaaldarwinisme. Hierin werd de strijd niet alleen verheerlijkt als bron van vooruitgang, maar werd ook beschouwd als richtlijn voor politiek handelen. Tegelijkertijd won de gedachte van destructie als creatieve kracht steeds meer veld. Hij speelde een belangrijke rol in de suggestie van Marx dat de arbeidersklasse de burgerlijke maatschappij met geweld moet vernietigen. Nietzsche schreef in zijn “Also sprach Zarathustra” in 1885: “Wie een schepper moet zijn in goed en kwaad moet eerst een vernietiger zijn en waarden breken”. In 1913 tenslotte introduceerde Werner Sombart in zijn “Krieg und Kapitalismus” de term “creatieve destructie”.

            Dit begrip drong ook door in de kunst. In de muziek droeg het bij tot het onstaan van de atonale muziek, die bewust brak met het oude tonale stelsel. Ook in de beeldende kunst drong het door, het werd een belangrijk element in de rond 1905 ontstaande non-figuratieve, abstracte kunst. In 2013 werd in Leiden een tentoonstelling gehouden dat speciaal aandacht besteedde aan de destructieve kant van het expressionisme: “Utopia 1900-1940, Visies op een Nieuwe Wereld”. In de catalogus daarvan staat te lezen: “Een totale breuk met de kunsttradities was noodzakelijk”. En: “In elk Utopia schuilt ook een donkere kant: die van de totalitaire macht”.

            Verandering, vernieuwing en breken met het verleden zijn normale processen in de kunst en als die voortkomen uit het simpele feit dat men is uitgekeken op het oude zijn die niet erg dramatisch. Soms ook moet men een zekere mate van vernietiging van het bestaande accepteren als een onvermijdelijk bijeffect. Maar bij het expressionisme lag dat anders. Hier speelde het vernietigen van het oude als doel in zichzelf en grotere rol dan bij vroegere kunstrevoluties. Daarom kan men zeggen dat veel expressionistische kunstenaars een duale motivatie bezaten: de voorkant van de medaille was creatie, de achterkant destructie. Welke van de twee de overhand had valt moeilijk te bepalen.

Literatuur:

T.R. Malthus (1798): Essay on the Principle of Population as it Affects the Future Improvement of Society.

  1. Spencer (1852): The Development Hypothesis.
  2. Spencer (1854): A Theory of Population, deduced from the General Law of Animal Fertility.
  3.  Doris Wintgens Hötte, ed. (2013): Utopia 1900-1940. Visies op een Nieuwe Wereld.

 

1 januari 2020