Het geweten als bron van duale motivatie

Hoe komt het toch dat mensen die hoge morele idealen hebben (of propageren) vaak zo agressief te keer gaan tegen degenen die die idealen niet hebben? Waarom is liefde zo vaak gekoppeld aan “haat”?

            Ik ken uit de recente eeuwen twee auteurs die hierover diepgaand hebben nagedacht en ieder met een eigen verklaring zijn gekomen, namelijk Nietzsche en Freud. Nietzsche ontwikkelde zijn theorie aan de hand van een concreet voorbeeld, het voorbeeld van het ontstaan van het christendom. Dat was in zekere zin nogal ontactisch, want dat had tot gevolg dat veel christenen zijn gedachtegang niet meer wilden volgen, terwijl het mechanisme dat hij beschreef psychologisch gezien toch van groot belang is. Zijn theorie komt populair weergegeven, neer op het volgende. Er bestaat een cultuur van heersers die ongecompliceerd leven, toernooien houden, feesten vieren en daarbij al hun krachten ontplooien (denk aan Nietzsches concept Übermensch). Daarnaast bestaat er een cultuur van mensen in een ondergeschikte positie die niet tegen de heersers op kunnen en vanuit het principe “wie niet sterk is moet slim zijn” allerlei theorieën opbouwen over medelijden en naastenliefde die de heersers in een kwaad daglicht stellen. Hoe mooi en profetisch die theorieën misschien ook lijken, ze komen voort uit ressentiment jegens de heersers (1). Nietzsche heeft bij het ontwerpen van deze theorie mede gedacht aan de macht van de Romeinen en de onderdrukking van de Joden. De onderdrukten overwonnen uiteindelijk de Romeinen door de profeet Jezus met zijn boodschap van medelijden en naastenliefde.

            Deze theorie van Nietzsche is in 1912 uitgewerkt door Max Scheler in zijn boek: “Das Ressentiment im Aufbau der Moralen”. Hij betoogde hierin dat het door Nietzsche beschreven mechanisme inderdaad bestaat, maar dat het niet van toepassing is op het ontstaan van het christendom.      

             Nu Freud. Deze stamde uit een joodse familie en kende van dichtbij het joodse feest “Vreugde der Wet”. Maar deze Wet verschafte lang niet aan iedereen vreugde, integendeel. Later, als psychiater, maakte hij kennis met patiënten die leden onder de kwelling van hun geweten en dat bracht hem er toe te spreken van “die Grausamkeit des Über-Ich”.  Achter deze wreedheid van het “Uber-Ich” zat volgens hem een “doodsdrift”, die zich uitte als een drang naar pijn doen, kwetsen en vernietigen. Deze kon zich richten tegen het eigen “ik” van de persoon, maar ook tegen de buitenwereld. Zo schreef Freud:

“Nach unserer Auffassung des Sadismus würden wir sagen, die destruktive Komponente habe sich im Über-Ich abgelagert und gegen das Ich gewendet. Was nun im Über-Ich herrscht, ist wie eine Reinkultur des Todestriebes” (2).   

 Wie zich afvraag waarom mensen zo graag te keer gaan tegen “het kwaad” vindt in de theorieën van Nietzsche en Freud telkens elementen van waarheid. Maar ze zijn ook speculatief en er is veel kritiek op te leveren. En er spelen ook andere factoren een rol, bijvoorbeeld de gewoonmenselijke vergeldingsdrang. Deze is in principe een reactie op een prikkel van buiten, maar het is denkbaar dat dat proces kan verstarren. Het principe dat misdadigers gestraft moeten worden voor hun daden (vergelding) kan dan bij mensen die de hele wereld slecht vinden mogelijk leiden tot een psychische houding waarin ze die wereld voortdurend willen straffen.

 Hoe dit zij, het ziet er naar uit dat het geweten een psychische instantie is waarvan vaak een duale motivatie uitgaat, dus een motivatie met een doel met twee zijden: enerzijds het goed-doen (of vaker nog het propageren van goed-doen), anderzijds het tekeer gaan tegen degenen die niet aan hun eisen voldoen, deze te straffen. Dat betekent, om de juridische term te gebruiken, ze “leed toe te voegen”. Bij een dergelijke duale motivatie is het moeilijk om uit te maken welke van de twee aspecten het zwaarst weegt. Nietzsche en Freud suggereerden dat het aspect van het willen kwetsen primair is en het “goeddoen” (of propageren van goed-doen) niet meer dan een alibi om dat kwetsen mogelijk te maken. Het lijkt mij echter dat in veel gevallen beide aspecten een rol spelen, dus ook het aspect van het oprecht goed willen doen. Maar ik kan mij tegelijkertijd niet aan de indruk onttrekken dat bij degenen die hun leven vullen met overal onrecht zoeken en dat aan de kaak stellen het aspect van het willen straffen en pijn doen de overhand heeft.

 (1) Zie onder andere: F.W. Nietzsche (1887): Zur Genealogie der Moral.

(2) S. Freud (1923): Das Ich und das Es.